Tekstballon

Geen vogelkooi, geen duiventil

Stabiele groepen in kinderdagverblijven en geïntegreerde kindercentra

Een notitie over stabiele groepen in het kinderdagverblijf
Auteurs: Liesbeth Schreuder, Leonie Heutz en Marieke Bosma, in samenspraak met de overige leden van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang

Inhoudsopgave

1. Doel van deze notitie
2. Wat is een stabiele groep
3. Waarom is een stabiele groep belangrijk
4. Wetenschappelijke onderbouwing
5. Praktijkervaringen van pedagogen: drie factoren en kanttekeningen
6. Huidige situatie
7. Dilemma’s
8. Literatuur
Bijlage: modellen van stabiele groepen

1. Doel van deze notitie

Met deze notitie geeft het Landelijk Pedagogenplatform een onderbouwing voor de discussie over stabiele groepen in de kinderdagverblijven – zowel binnen de sector als tussen de sector en de ouders.
Het gaat om:
1. Bewustwording en standpuntbepaling
2. Op gang brengen van de discussie in de sector.
3. Verandering in gang zetten naar meer stabiele groepen

We beperken ons tot groepen met kinderen van 0 - 4 jaar in de dagopvang en geharmoniseerde kindercentra . We richten onze aanbevelingen in de eerste plaats op organisaties van kinderopvang en ouders. Daarnaast zijn de aanbevelingen ook van belang voor de landelijke politiek en beleidsmakers en belangengroeperingen zoals BOinK, vakbonden, MOgroep en de Branchevereniging – bijvoorbeeld in relatie tot het convenant beleidsregels kinderopvang.

De focus in dit stuk ligt op groepsstabiliteit als één van de basisvoorwaarden voor kwaliteit. Maar uiteraard zijn er meer factoren die de kwaliteit van de opvang voor kinderen bepalen. Bij het aanbrengen van verbeteringen in de stabiliteit van de groep moet dus altijd in het oog gehouden worden of daarmee niet andere belangrijke factoren verslechteren, zoals de leidster-kindratio en de groepsgrootte.

Deze notitie heeft een lange aanloopperiode gehad. De reden hiervoor is dat het invoeren van stabiele groepen grote consequenties heeft voor de keuzevrijheid van ouders. Het is des te moeilijker om dan toch een stabiele groepen-beleid te gaan voeren als we bovendien maar zo weinig wetenschappelijk onderzoek hierover kunnen vinden. Er bestaat nauwelijks wetenschappelijk onderzoek waarin wordt aangetoond dat stabiele groepen tot meer kwaliteit voor kinderen leiden. Stabiliteit van de groep wordt in buitenlands wetenschappelijk onderzoek nauwelijks onderzocht omdat de vraagstelling niet relevant is. Kinderen komen in de landen om ons heen voornamelijk fulltime. Daarom zijn wij voorlopig voorzichtig. Wij juichen experimenten en wetenschappelijk onderzoek op dit terrein toe.

2. Wat is een stabiele groep

Een stabiele groep is een groep waarin dezelfde kinderen en medewerkers elkaar tegen komen. Zij zijn vertrouwd met elkaar en kennen elkaar goed. In de Nederlandse kinderdagverblijven is dat op dit moment moeilijk te realiseren. Kinderen komen vooral parttime en op de dagen dat hun ouders opvang nodig hebben. Ouders krijgen de keuze welke dagen (en soms welke dagdelen) zij willen afnemen. Ouders krijgen hun keuzedagen echter niet als de groep op die dag vol is. In peuterspeelzalen is het vormen van stabiele groepen in het algemeen geen probleem. Het aanbod is meestal gericht op samenstelling van volledig vaste groepen. Ouders krijgen bijvoorbeeld de keuze tussen een dinsdag-donderdaggroep, een maandag – woensdaggroep of een vier dagengroep (VVE). Ouders kunnen in peuterspeelzalen meestal niet voor losse dagen kiezen. Bij een intensieve samenwerking tussen kinderdagverblijven en peuterspeelzalen, zoals die intussen is ingezet , kunnen de beide systemen van groepsindeling botsen. Daarom is het van belang dat kinderdagverblijven en peuterspeelzalen een duidelijke en gezamenlijke visie op het belang van stabiele groepen in relatie tot andere belangen (van ouders) hanteren. Deze notitie kan daartoe bijdragen. Wij zien overigens de intensieve samenwerking vooral als een kans om tot meer stabiele groepen te komen.

Continuïteit en stabiliteit
De begrippen “continuïteit” en “stabiliteit” worden vaak door elkaar heen gebruikt in de kinderopvang. Ze liggen dan ook dicht bij elkaar. Beiden geven aan dat er regelmaat moet zitten in de onderlinge contacten, maar ook in zaken als dagritme en gebruik van ruimtes. Bij continuïteit denken we dan aan “stabiliteit in tijd”: voortduring van contacten vanuit verleden naar heden en toekomst, bijvoorbeeld kinderen die maanden of jaren achtereen met dezelfde kinderen in de groep zitten. Door continuïteit wordt de omgeving voorspelbaar. Bij stabiliteit denken we aan “stabiliteit van het moment”: de zorg voor wekelijkse regelmaat in de contacten, maar ook in dagritme. Een stabiele groep betekent dat kinderen niet iedere dag van de week andere kinderen tegenkomen. Het verschil is subtiel, want in feite willen we zowel stabiliteit als continuïteit bereiken.

3. Waarom zijn stabiele groepen belangrijk?

Stabiliteit betekent dat de situatie voor de kinderen in het kinderdagverblijf duidelijk, voorspelbaar en vertrouwd is. De kinderen zijn goed bekend en vertrouwd met de pedagogisch medewerkers en andere kinderen in hun groep. Ze kunnen voorspellen wie ze zullen tegenkomen en kunnen zich daarop verheugen. Vertrouwde relaties ontstaan niet vanzelf. Om elkaar te leren kennen en vertrouwen is herhaald contact nodig. Jonge kinderen hebben stabiliteit nodig om zich veilig te voelen. En veiligheid is de basis voor ontwikkeling. Stabiliteit is niet alleen van belang voor de veiligheid van kinderen. Een stabiele groep en een stabiele omgeving geven kinderen kansen op betere (sociale) ontwikkeling. Vaste andere kinderen geven meer mogelijkheden voor intensieve sociale relaties en samenspel op hoger niveau. Een vaste groep zorgt ervoor dat er meer groepsgevoel en gezamenlijkheid in de groep kan ontstaan. Ook zijn er in een stabiele groep betere mogelijkheden voor programmatisch werken. De pedagogisch medewerker kan in haar projecten alleen teruggrijpen op gisteren en vooruitkijken naar morgen, als zij op die dagen dezelfde kinderen aantreft. Voor de pedagogisch medewerkers levert een stabiele groep ook voordelen op. Het is rustiger werken en de leidsters kunnen de individuele kinderen beter volgen en gerichte aandacht geven. Kortom: in een stabiele omgeving kun je beter werken aan de opvoedingsdoelen zoals die in de Wet Kinderopvang zijn vastgesteld (veiligheid, persoonlijke en sociale competenties en overdracht van normen en waarden) en voor de pedagogische kwaliteit voor kinderen van belang zijn. Stabiliteit is een belangrijke structurele voorwaarde voor kwalitatief hoogwaardige kinderopvang.

4. Wetenschappelijke onderbouwing

Bekende Nederlandse wetenschappers wijzen in hun publicaties op het belang van leidsterstabiliteit en groepsstabiliteit. Het NCKO gebruikt een kwaliteitsmodel – gebaseerd op dezelfde theorieën en wetenschappelijk onderzoek - waarin tien structurele factoren staan die welbevinden en ontwikkeling van het kind positief beïnvloeden. Twee daarvan betreffen de leidsterstabiliteit en de groepsstabiliteit - naast factoren zoals de opleiding van de pedagogisch medewerkers, de leidster-kindratio en het pedagogisch beleidsplan. (Cf: De kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang, 2004). Recent Nederlands onderzoek toonde aan dat groepsstabiliteit bijdraagt aan de kwaliteit van de leidster-kindinteractie (cf. the relation of flexible child care to quality of center day care and children’s socio-emotional functioning, 2003). In het Pedagogisch Kader staat dat vaste en vertrouwde relaties cruciaal zijn voor welbevinden en ontwikkeling van jonge kinderen. Die inzichten zijn gebaseerd op theorie van o.a. Ericsson en Bowlby. Enkele citaten betreffende groepsstabiliteit: “Als kinderen elkaar niet kennen gaat veel aandacht en energie zitten in het begrijpen van wat er allemaal om hen heen gebeurt (…). Als kinderen met een vriendje spelen, spelen ze op hoger niveau dan met een onbekend kind. (…) Als kinderen vaker samenzijn, is de kans op vriendschap groter.” (Cf: Pedagogisch kader kindercentra 0-4 jaar, 2009). In een groot observatieonderzoek naar de wijze waarop jonge kinderen met elkaar omgaan in de groep wordt o.a. beschreven welke (ongeschreven) groepsregels jonge kinderen zich eigen moeten maken. Denk bijvoorbeeld aan regels over wie met het speelgoed mag spelen en hoe je het speelgoed moet delen. Uit die beschrijvingen wordt ook invoelbaar hoeveel moeilijker dat voor kinderen te leren is, als er steeds andere kinderen zijn (cf. Kijken, kijken, kijken, 2006). In een handboek over groepsindeling worden drie belangrijke aspecten onderscheiden: groepsgrootte (hoeveel kinderen bijeen), groepssamenstelling (o.a. leeftijdsverdeling) en groepsstabiliteit (vaste/bekende kinderen). In dit handboek worden verbeteringen voorgesteld voor de huidige wisselende groepen. (Cf: Welkom in de groep, 2007).

In het buitenland houdt Carolee Howes zich bezig met de ontwikkeling van sociale competentie en vriendschappen bij jonge kinderen in de kinderopvang. Zij concludeert onder andere dat het hebben van vriendjes van grote waarde is voor de verdere positieve (sociale) ontwikkeling van jonge kinderen. Vriendjes hebben bevordert ook sterk het gevoel van veiligheid in de groep (cf. Peer interaction of young children, 1988). Dat betekent dat kinderdagverblijven hun best moeten doen om vriendschappen te bevorderen. Stabiele groepen zijn daarvoor een belangrijke voorwaarde, zodat kinderen meer gelegenheid hebben om vriendjes te maken en hun vriendjes ook elke dag kunnen ontmoeten. Singer geeft aan dat 2 en 3-jarigen al vriendschapsrelaties hebben. Uit haar onderzoek komt naar voren dat tweetallen die vaker op dezelfde dag kwamen, in 7 van de 8 groepen die ze bestudeerde, significant vaker bevriend bleken (Cf: Singer, 2009; website ECO3).

Onderzoek in Italiaanse kinderdagverblijven heeft laten zien dat het samenspel van kinderen van hoger niveau wordt naarmate zij langer bij elkaar in de groep hebben gezeten (in: De kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang, 2004). Onze conclusie is dat stabiele groepen een wezenlijke bijdrage leveren aan welbevinden en (sociale) ontwikkeling van kinderen. Hetgeen overeenkomt met onze praktijkervaring.

5. Praktijkervaring van pedagogen: drie factoren en twee kanttekeningen

We onderscheiden drie factoren die de stabiliteit in het kinderdagverblijf beïnvloeden:
a. Groepsstabiliteit;
b. Leidsterstabiliteit;
c. Vaste structuren en routines (inclusief dagritme en vaste ruimte). We gaan in deze notitie vooral in op de groepsstabiliteit. Maar de andere factoren zijn minstens even belangrijk. De leidsterstabiliteit is waarschijnlijk het belangrijkst.

a. Groepsstabiliteit
We maken een onderscheid tussen de dreumesen en peuters enerzijds en de baby’s anderzijds.

Dreumesen en peuters
Een vaste groep zorgt ervoor dat kinderen kunnen voorspellen welke kinderen zij tegenkomen, dat ze elkaars manier van doen herkennen. Zij hoeven niet steeds opnieuw hun plaats in de groep te bepalen, waardoor er ruimte ontstaat voor spelen en ontwikkelen. In een wisselende groep kunnen kinderen niet voorspellen wie er vandaag zal zijn. Of ze missen hun vriendjes van de vorige dag. Kinderen voelen zich prettiger als zij de andere kinderen kennen, spelen dan meer samen en er zijn minder botsingen tussen kinderen. In een stabiele groep kunnen er kindervriendschappen ontstaan, die belangrijk voor het kind zijn en soms na vertrek van het kinderdagverblijf blijven voortbestaan. De pedagogisch medewerker heeft in een stabiele groep meer mogelijkheden voor de opvoeding, de stimulering van de ontwikkeling en de begeleiding van de sociale competentie omdat zij kan voortbouwen op wat de groep gisteren heeft gedaan of meegemaakt. De pedagogische medewerker kan werken met langer durende projecten. Het belang van een stabiele groep kan worden geïllustreerd door het voorlezen. Een doorlopend boek met ieder dag een ander hoofdstuk kun je niet voorlezen in een instabiele groep, want de kinderen die het maandag hoorden, zijn er dinsdag niet allemaal, etc. De pedagogisch medewerker is dus beperkt tot boeken die in één keer kunnen worden behandeld.

Baby’s
Voor de baby’s (0-1 jaar) is groepsstabiliteit op een andere manier belangrijk. Hun houvast is vooral de pedagogisch medewerker en verder de dagelijkse routines en vaste structuren. Ook baby’s ontlenen al houvast aan bekende andere baby’s. De baby heeft er belang bij dat de groep per week steeds dezelfde baby’s bevat. Hoe minder verschillende kinderen per week, hoe beter de pedagogisch medewerker de baby’s kan leren kennen. En hoe beter zij de baby kent, hoe sensitief-responsiever haar interactie met de baby’s. Daarbij telt voor baby’s (0-1 jaar) de hoeveelheid en de mate van verschil in prikkels in de omgeving. Die moet niet te groot zijn. Komt de baby in aanraking met veel verschillende kinderen door de week, dan zijn er ook meer verschillen in geluiden, geur, aanrakingen en gang van zaken op de groep. Deze beïnvloeden de baby. Hoe meer prikkels in de omgeving, hoe meer de baby moet wennen en moet leren zich er op in te stellen. Een omgeving met veel prikkels vraagt dus meer van een baby en resulteert vaak in toenemende onrust van de baby en meer huilgedrag. Leeftijd en temperament van de baby spelen hierbij ook een rol. Groepsstabiliteit kan de hoeveelheid prikkels inperken en leiden tot meer voorspelbaarheid en welbevinden.

b. Leidsterstabiliteit
Kinderen moeten erop kunnen vertrouwen dat vaste leidsters voor hen zorgen. Vaste leidsters hebben meer gelegenheid om de kinderen goed te leren kennen en op hen in te spelen. Vaste leidsters betekenen ook vaste gewoontes en routines in de dag. Deze routines zijn eveneens een bron van veiligheid voor jonge kinderen. Per week werken er meestal drie tot vijf verschillende pedagogisch medewerkers op één groep. Vanuit het perspectief van het kind zijn drie intensieve relaties met pedagogisch medewerkers waarschijnlijk een maximum om nog van vertrouwde relaties te kunnen spreken. In het kader van deze notitie gaan we hier niet verder op in, maar het is zeker belangrijk om ook aan de leidsterstabiliteit te werken.

c. Vaste structuren en routines (inclusief dagritme en vaste ruimte)

Voorspelbaarheid van de dagelijkse gang van zaken in het kinderdagverblijf draagt bij aan de gevoelens van veiligheid van kinderen. Zij herkennen wat er gebeurt en weten van tevoren hoe de dag zal verlopen. Kinderdagverblijven werken vaak aan het verbeteren van deze voorspelbaarheid door min of meer vaste volgordes en vaste tijden in het dagprogramma te hanteren, eigen kastjes, stoeltjes en bedjes aan kinderen te geven en de pedagogische benadering van de kinderen onderling af te spreken. Desondanks is het niet te voorkomen dat elke pedagogisch medewerker haar eigen stempel drukt op de sfeer in de groep. Pedagogisch medewerkers vullen elkaar aan en hebben verschillende talenten en sterke kanten. Een bepaalde mate aan variatie kan daarom positieve invloed hebben op jonge kinderen. Zij leren dat er meer mogelijkheden in contacten zijn en krijgen zo verschillende impulsen en stimulansen voor hun ontwikkeling. Voorwaarde is wel een gemeenschappelijk contact en bewuste toepassing van deze strategie. Ook een vaste ruimte is essentieel: de kinderen hebben tijd nodig om zich thuis te voelen in een ruimte. Ze hebben vaak hun eigen favoriete plekjes en speelgoed in de ruimte. Kinderdagverblijven moeten er dus voor zorgen dat elk kind in één vaste ruimte zijn thuishonk heeft. Zo heeft het kind een vaste vertrouwde basis van waaruit het als het er aan toe is en op gezette tijden ook de rest van de omgeving kan verkennen vanuit zijn natuurlijke nieuwsgierigheid en exploratiedrang (“buurten bij de buren” bijvoorbeeld)

Kanttekening 1: verschil tussen parttime en fulltime kinderen?
Hebben kinderen die weinig dagen komen iets anders nodig dan kinderen die veel dagen komen? Het antwoord hierop is niet eenduidig te geven. Naast stabiliteit is ook continuïteit belangrijk voor kinderen. Continuïteit en stabiliteit overlappen voor een groot deel, maar zijn toch niet hetzelfde. Het best zie je dat bij een kind dat één dag in de week komt. Dit kind treft iedere week dezelfde groep aan: dus maximaal stabiel. Doordat hij de groep echter slechts 1x in de week ziet, is het toch moeilijk om een veilig en vertrouwd gevoel in de groep te krijgen. De frequentie per week is te laag. Voor ééndagskinderen is het vaak veel moeilijker om te wennen en onderdeel uit te gaan maken van de groep. Dit leidt nogal eens tot een langere wenperiode. Het is moeilijker voor dit kind om zich vertrouwd en veilig voelen. Eéndagsplaatsen maken de groep instabieler voor kinderen die meer dagen komen. Veel kinderdagverblijven hebben daarom niet graag te veel eendagsplaatsingen in de groep. Aan de andere kant heb je de kinderen die vier of vijf dagen komen. Zij hebben extra belang bij een stabiele groep. Zij brengen een relatief groot gedeelte van hun week door op de kinderopvang en niet-optimale condities zullen dus op hen een grotere invloed hebben dan bij kinderen die minder vaak komen. Pedagogisch medewerkers zeggen het wel eens zo: “Voor vijfdagenkinderen is de groep hun dagelijks leven, voor 2 en 3 dagenkinderen gaat het om een deel van hun dagelijks leven en voor eendagskinderen is de groep een uitstapje”. Daaruit volgt dat je je in de eerste plaats moet inspannen voor stabiele condities voor de vier- en vijfdagenkinderen. Het is zeker zinvol om na te denken over de vorming van verschillende soorten groepen voor kinderen die veel en weinig dagen komen. Alle vier en vijfdagenkinderen bij elkaar in één groep zorgt voor een grote mate van stabiliteit.

Kanttekening 2: waar ligt het omslagpunt?
Hoewel het pedagogenplatform stabiele groepen wil bevorderen, lijkt het realiseren van volledig vaste groepen niet (onmiddellijk) haalbaar (zie paragraaf 7: dilemma’s). We zouden daarom graag een omslagpunt aangeven. Wanneer is de groepsstabiliteit goed genoeg en wanneer kan het echt niet meer? Daarvoor moeten we weten:
• In welke omstandigheden ontstaan er vanwege de groeps-instabiliteit problemen bij kinderen?
• In welke omstandigheden kunnen kinderen groeps-instabiliteit aan zonder dat er problemen ontstaan?
• Welke kwaliteitsvoordelen zijn er zichtbaar bij meer stabiliteit van de groep?
Kun je bijvoorbeeld zeggen dat peuters in een groep van acht vaste peuters iedere dag zes wisselende peuters kunnen verdragen omdat de groepsrituelen dan het groepsgevoel in stand houden? Voelen die zes wisselende peuters zich buitenstaanders of worden ze gemakkelijk in de kerngroep opgenomen? Op dergelijke vragen zouden we graag antwoorden willen formuleren. Dat kost echter meer wetenschappelijk onderzoek en observatie. We willen de lat echter niet te laag leggen. Hierbij waarschuwen we voor het bekende fenomeen dat kinderen – flexibel als ze zijn – veel lijken te accepteren en aan te kunnen zonder negatief gedrag te vertonen. Afwezigheid van negatieve tekenen is echter nog geen positief resultaat. De kinderopvang heeft meer ambities, wil een meerwaarde voor kinderen betekenen en stabiele groepen zijn daarvoor een belangrijke voorwaarde.

6. De huidige situatie

Hieronder staat onze praktijkervaring met groepsstabiliteit in onze organisaties.

Wisselende samenstelling
Van oudsher krijgen groepen in kinderdagverblijven een naam, een vaste ruimte en eigen leidsters. Een voorbeeld: groep blauw zit in ruimte blauw en bestaat uit 11 kinderen en twee leidsters per dag. Een dergelijke indeling brengt de veronderstelling met zich mee dat groep blauw elke dag van de week uit dezelfde kinderen en leidsters bestaat. Dit is echter hoe langer hoe minder het geval. In extreme gevallen kan groep blauw op maandag een volledig andere samenstelling hebben dan op dinsdag – zowel qua leidsterbezetting als qua aanwezige kinderen. Vergeleken met 10 jaar geleden, zitten er per week meer verschillende kinderen in een groep.

Plaatsingsbeleid
Kinderen kunnen op de meeste kindercentra al voor een dag (of dagdeel) geplaatst worden. Het aantal kinderdagverblijven dat een minimale afname van twee dagen eist, is in de minderheid geraakt. Het komt ook voor dat een kind (tijdelijk) twee locaties bezoekt, omdat er op één van de gewenste dagen geen plaats meer is op de locatie of omdat een ouder kiest voor een combinatie tussen kinderdagverblijf en peuterspeelzaal. Een andere ontwikkeling is het feit dat er veel dagenmutaties plaatsvinden (ouders wisselen van werkgever of van werkdagen, waardoor ook het kind andere opvangdagen nodig heeft). Ook het beroep op flexibele opvang is groot. Ouders willen graag de mogelijkheid hebben om een opvangdag te ruilen. Overigens wordt in de praktijk niet zo veel van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Ook ouders hechten aan hun eigen vaste dagen.

De peutergroepen van dit moment
Uit een vergelijking van vijf peutergroepen uit vijf verschillende organisaties (2008) halen wij het volgende beeld: De peutergroepen hebben meestal 14 kindplaatsen, die door 25 à 28 kinderen per week bezocht worden. In één groep zitten kinderen die wekelijks vier of vijf dagen komen, kinderen die twee of drie dagen komen, en dan soms ook nog kinderen die één dag komen, halve dagen of flexibel komen (de ene week meer of op andere dagen dan de andere week). Op de dinsdag en de donderdag zitten er soms meer dan 14 kinderen in de groep (met een derde pedagogisch medewerker), op de andere dagen 14 of minder kinderen. Hieronder is te zien hoeveel andere kinderen een willekeurig gekozen kind per week tegenkomt. In het eerste kinderdagverblijf ziet een kind, dat op maandag en vrijdag komt 20 andere kinderen. Een ander kind uit diezelfde groep dat altijd op dinsdag, woensdag en donderdag komt, ziet 23 andere kinderen.

Peutergroep
                               Ma    Di    Woe    Do    Vrij
Kindplaatsen       14    14    14       12    14
Kinderen              28    28    25        23    28
2dgkind                20    22    19        14    23
3dgkind                23    27    21        17    25
4dgkind                 -      27    24        22     -
5dgkind                27    27     -           -      27


Een voorbeeld van een babygroep

Hieronder een babygroep met 14 kindplaatsen per dag met drie pedagogisch medewerkers. Daar ziet een baby die twee dagen komt 17 andere baby’s.

Babygroep
Aantal kindplaatsen per week   14
Aantal kinderen per week          24
Aantal 2dgkinderen per week    17
Aantal 3dgkinderen per week   21
Aantal 4dgkinderen per week   21
Aantal 5dgkinderen per week      -

Als we een periode van drie maanden beschouwen, wordt de situatie nog onoverzichtelijker voor kinderen. Er gaan namelijk regelmatig kinderen weg uit de groep, vanwege verhuizing naar een andere groep in het kinderdagverblijf, vertrek naar de basisschool, verhuizing van het gezin, enzovoort. Als we zeggen dat een kind per week 23 andere kinderen ziet, zijn dat dus niet het hele jaar door dezelfde 23 kinderen.

Parttime gebruik
Op basis van de gegevens van drie organisaties kunnen we ook laten zien hoeveel kinderen gemiddeld één kindplaats bezet houdt. Dit getal geeft de parttime-factor weer. Hoe meer kinderen per kindplaats, hoe minder dagen per week de kinderen gemiddeld komen. Twee kinderen per kindplaats betekent dat kinderen gemiddeld 2 ½ dag per week komen. In twee van de drie organisaties komen de kinderen gemiddeld dus minder dan 2 ½ dag per week .
1. 249 kindplaatsen voor 472 kinderen     : 1,89 kind per kindplaats
2. 1137 kindplaatsen voor 2460 kinderen : 2,16 kind per kindplaats
3. 2857 kindplaatsen voor 7931 kinderen : 2,77 kind per kindplaats

Kinderen in Nederland komen vooral parttime en bij onze pogingen om de groep stabieler te maken, moeten we daarmee rekening houden.

Stabiliteit van opvoedingssituatie
Naast de stabiliteit op het kindercentrum, zijn verschillende andere factoren van belang die al dan niet bijdragen aan stabiliteit in opvoedingssituaties en zo het welbevinden van de kinderen in positieve of negatieve zin beïnvloeden. Hierbij kun je denken aan de volgende maatschappelijke of sociaal-economische omstandigheden van ouder/verzorger/gezin:
• Naast het kindercentrum vangen ook nog één of twee oma’s of andere familieleden de kinderen op, wat een wisseling in opvoedingssituatie geeft.
• Een slechte verstandhouding tussen ouders en pedagogisch medewerkers, waardoor er minder goede afstemming plaatsvindt en het kind zich minder veilig voelt op het kinderdagverblijf. Een kind voelt de stemming tussen zijn verzorgers feilloos aan.
• Het wegvallen van een vertrouwde verzorger van een kind of een grote verandering in de opvoedingssituatie (echtscheiding).
Een kinderdagverblijf kan ouders bij de intake bewust maken van het aantal wisselende opvoedsituaties en samen met de ouder het geheel vanuit het kind bezien. Het kinderdagverblijf heeft echter alleen invloed op de eigen geboden stabiliteit en niet op de andere opvoedarrangementen die ouders voor hun kind wensen.

Opendeurenbeleid
Het streven naar stabiele groepen staat niet haaks op een opendeurenbeleid. Veel kinderdagverblijven hebben het opendeurenbeleid ingevoerd, zodat kinderen op gezette tijden gelegenheid hebben om buiten de eigen groepsruimte met andere kinderen te spelen (“buurten bij de buren”). De stabiele groep functioneert als thuisbasis, als veilig nest van waaruit de kinderen de wereld kunnen ontdekken, ook buiten de muren van de groepsruimte. Een stabiele groep is dus belangrijk voor een goed opendeurenbeleid.

7. Dilemma’s

Het vergroten van de stabiliteit van de groepen in een kindercentrum is geen eenvoudige zaak. Hier komen verschillende belangen bij kijken. Bovendien is het een ingreep waar verschillende partijen consequenties van ondervinden. Denk hierbij aan de roosters van pedagogisch medewerkers, maar vooral aan de ouders die niet zitten wachten op een (verplichte) wisseling van werkdagen. Ouders zien alleen hun eigen kind en situatie en zijn zich er niet altijd van bewust dat groepsstabiliteit invloed heeft op het welbevinden en ontwikkeling van hun kind en van de andere kinderen. Ouders hebben vooral hun werk en de kinderopvang als voorwaarde voor werk in hun achterhoofd. De consequenties van hun keuzes voor hun eigen kind en voor andere kinderen zijn voor ouders nauwelijks te overzien. Bij de realisatie van stabiele groepen lopen we tegen de volgende argumenten aan:
• Bedrijfsmatig: hoe krijg je vaste groepen, maar ook 100% bezette groepen, zonder dat de kwaliteit op andere punten omlaag gaat, bv doordat de groepsgrootte opgerekt wordt tot de limiet uit het convenant van 12 baby’s en 16 peuters?
• Concurrentieoogpunt: als de concurrent het niet doet, zullen ouders dan niet liever daarheen gaan?
• Maatschappelijke ontwikkelingen: er wordt steeds meer flexibiliteit van ouders verwacht in de arbeidssituatie. Wij gaan daar juist tegen in door ouders minder keuze te willen geven.
• Wensen van ouders t.a.v. plaatsingsdagen en flexibiliteit hierin. Ouders zijn bovendien gewend geraakt aan een eigen keuze van dagen, hoe draaien we dat terug?
• Wensen van werkgevers: zij zullen het lastig vinden als ouders rekening moeten houden met een “strenger”plaatsingsbeleid van het kinderdagverblijf.
• Financiële motieven van ouders: ze willen alleen betalen voor de opvang die ze nodig hebben voor hun werk en dus geen “extra” dag nemen in het belang van de groepsstabiliteit. Diezelfde de motieven spelen ook voor de overheid (betalen vanwege de arbeidsparticipatie, niet vanwege ontwikkelingsmogelijkheden voor het kind).
• Opvoedkundige onzekerheid: hebben kinderen echt zoveel “last” van de wisselende contacten? Kinderen zijn flexibel en kunnen veel aan en we zien soms niet of ze eronder lijden. Is het vooral de wetenschap die zich zorgen maakt?

Wie deze rij tegenargumenten tot zich door laat dringen, ziet dat er nog wel wat discussie gevoerd zal worden in de organisaties: zowel tussen de financiële afdeling en de pedagoog als tussen de oudercommissies en de pedagoog. De belangrijkste knelpunten voor de organisatie liggen in de mogelijke consequenties die deze ingreep heeft voor bedrijfsmatige aspecten van het kinderdagverblijf (de bezetting van de groepen kan eronder lijden) en voor het aanbod aan de klant (aanbod van opvang op maat gaat verloren). Onze opmerking hierbij is dat we nog moeten afwachten of zich op deze vlakken de gevreesde negatieve consequenties gaan voordoen. Een hoge bezetting kan wellicht gemakkelijker te realiseren zijn met vaste groepen (denk aan betere woensdag- en vrijdagbezetting) en ouders zullen het belang voor hun kind toch zeker laten meewegen.

Een organisatie voor kinderopvang staat voor de belangen van alle ouders en alle kinderen. Het is dus aan de organisatie om klantbelang en kindbelang aan elkaar te koppelen, zowel individueel als collectief. Klantgerichtheid kan dus nooit zijn “u vraagt, wij draaien”, maar is altijd een afweging waarbij vanuit het oogpunt van kwaliteit mogelijkheden worden geschapen en grenzen worden gesteld. Het stellen van grenzen maakt deel uit van kwaliteitszorg en is dus een gezamenlijk belang van organisatie, ouders en kinderen.

8. Literatuur

Aureli, T., en Colecchia, N. (1996) Day care experience and free play behavior in preschool children, Journal of Applied Developmental Psychology, 17; in: De kwaliteit van de Nederlandse Kinderopvang, 2004. Amsterdam: Boom
Howes, C. et al (1988). Peer interaction of Young children. Monographs of the Society for research in Child development, Vol 53, no 1.
Meij, H., en Schreuder, E.T. (2008). Welkom in de groep, groepsindeling en opendeurenbeleid in kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang. Amsterdam: SWP
Schipper, J. Clasien de, et al(2004) Stability in Center day care: relations with children’s wellbeing and problembehavior in day care. Social Development, Vol 13 (4), november.
Singer E., en de Haan, D. (2006). Kijken, kijken, kijken. Samen spelen, botsen en verzoenen bij jonge kinderen. Utrecht: SWP.
Singer, E en Kleerekoper, L. (2009). Pedagogisch kader kindercentra 0-4 jaar. Maarssen: Elsevier gezondheidszorg.
Singer, E (2009). Opvoeden in kinderdagverblijven: waarom de kwaliteit blijft teleurstellen. http://www.eco3.nl/eCache/DEF/1/13/643.html (download april 2010)
IJzendoorn, R., Tavecchio,L., en Riksen-Walraven, M.(2004) De kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang. Amsterdam: Boom.

Bijlage

Modellen voor stabielere groepen (ontleend aan: “Welkom op de groep”, NJi 2007 en “Groepsindeling, handvatten voor ouders”, BOinK 2008)
NB: Het Nederlands Jeugdinstituut publiceert in 2010 een boek met modellen voor stabiele groepen op basis van ervaringen met pilotlocaties.

1. Vaste dagencombinaties per groep
Elke groep in het kinderdagverblijf biedt vaste dagencombinaties aan. De meest eenvoudige keuze is daarbij een aanbod van twee dagen (do, vrij), van drie dagen (ma, di, woe) en van vijf dagen voor alle groepen van het kinderdagverblijf. Uitgangspunt is dat de kinderen elkaar altijd tegenkomen op hun vaste dagen. Zij ervaren hun groep dus als een vaste groep. Deze keuze maakt het uitvoeren van opendeurenbeleid ook gemakkelijker omdat dan steeds dezelfde kinderen op dezelfde dagen komen. Het is logisch om aan de vaste dagencombinaties ook vaste pedagogisch medewerkers te koppelen. Een kinderdagverblijf kan de ouders meer keuzemogelijkheden bieden door: het vaste dagenaanbod per groep te variëren (in het geval van horizontale groepsindeling in 2 of 3 opeenvolgende groepen is variatie alleen mogelijk per 2, respectievelijk 3 groepen); naast het vijf dagen aanbod ook de mogelijkheid te geven voor vier dagen en één dag. Enkele voorbeelden:

Kinderdagverblijf 1 (4 groepen)
Groep A (0-4 jaar): plaatsing op maandag, dinsdag woensdag of op donderdag en vrijdag of de hele week
Groep B (0-4 jaar): plaatsing op maandag, woensdag, vrijdag of dinsdag en donderdag of de hele week
Groep C (0-1 jaar): plaatsing op maandag, woensdag, vrijdag of dinsdag en donderdag of de hele week.
Groep D (1-4 jaar): plaatsing op maandag, woensdag, vrijdag of dinsdag en donderdag of de hele week.

Kinderdagverblijf 2 (5 groepen)
Groep A1 (0 - 2): plaatsing op ma/di/wo of do/vrij of hele week
Groep A2 (2 - 4): idem
Groep B1 (0-1): plaatsing op ma,di,do of wo/vrij of hele week
Groep B2 (1-2 ½): idem
Groep B3 (2 /2 – 4): idem
NB: in alle groepen is plaatsing voor 1 dag is mogelijk op de woensdag, plaatsing voor 4 dagen is mogelijk op ma/di/do/vrij.

2. Vaste dagencombinaties per groep met mogelijkheid voor enkele flex-plaatsen
Elke groep heeft het bovenstaande aanbod voor het merendeel van de kinderen. Voor 2 a 4 kinderen per groep is een vrije dagenkeuze mogelijk. Uitgangspunt is dat de vaste kern van kinderen voor voldoende rust en regelmaat zorgt waardoor een enkel kind zich gemakkelijk kan inpassen in de verschillende groepen. Dit is een veronderstelling: we moeten de “flexkinderen”observeren om te weten te komen of dit werkelijk zo is. Wellicht neemt zo’n vaste kerngroep een “flexkind” juist minder makkelijk op. Misschien pakt dit systeem voor “flexkinderen” met een moeilijk temperament minder goed uit.

3. Vaste dagencombinaties voor subgroepjes
De plaatsen binnen een groep worden verdeeld in subgroepjes van 2 à 4 kinderen van min of meer dezelfde leeftijd. Deze subgroepen komen op dezelfde dagen en gaan (in het geval van horizontale groepsindeling) tegelijkertijd over naar de volgende groep. Het is een groepsmaatjes-systeem. Het lijkt ingewikkeld, maar voor een goede doorstroming moet de planning altijd rekening houden met de leeftijdsverdeling in de groep. Nu komt daar dus de vaste dagencombinatie bij. Doorstroming met 4 tegelijk zal in het geval van horizontale groepsopbouw moeilijk te realiseren zijn (de kinderen gaan niet allemaal tegelijk naar de basisschool) maar per 2 moet het mogelijk zijn.

Een voorbeeld: Peutergroep in kinderdagverblijf 3 (14 kinderen per dag, 26 kinderen per week) De peutergroep heeft de 26 kinderen per week in zeven subgroepen verdeeld:
4 kk ma, di, wo
4 kk don, vrij
4 kk di,wo, don
4 kk ma, vrij
4 kk ma, wo, vrij
4 kk di, do
2 kk hele week

Er zijn nu dus 12 plekken voor 3 dagenkinderen, 12 plekken voor 2 dagenkinderen en 2 plekken voor 5 dagenkinderen. Afhankelijk van de behoeften van ouders kunnen er meer 5 dagen plekken gecreëerd worden. Twee 5 dagenplekken kunnen ook opgedeeld worden in twee vier en twee ééndagsplekken.

4. Horizontale groeigroepen
Elke groep in het kinderdagverblijf start als groep van 8 baby’s per dag tussen 0 en 1 jaar. Zij blijven bij elkaar tot zij vier jaar zijn en groeien aan met nieuwe kinderen of uitbreiding afname als de kinderen ouder worden. Hier geen vaste dagencombinaties omdat ervan wordt uitgegaan dat de kinderen elkaar zo goed leren kennen dat ze de wisseling per dag beter aankunnen. De pedagogisch medewerkers gaan mee met hun groep. Het systeem is eventueel te combineren met vaste dagencombinaties en ook met onderstaande maatregelen (nr 4 en 5). Probleem 1 hierbij is de uitstroom naar de basisschool. De oudste groep stroomt leeg zonder nieuwe aanvoer. Wellicht kan deze groep aangevuld worden met een peuterspeelzaalaanbod. Of eren aanbod voor vierjarige, die al (gedeeltelijk) naar de basisschool gaan. Zij zouden nog enige tijd in de kdvgroep kunnen blijven totdat alle kinderen vier jaar geworden zijn. Probleem 2 is de instroom: het is wellicht een utopie om te verwachten dat er een hele babygroep van 8 baby’s tegelijk kan starten. Kan een locatie jaarlijks 8 baby’s uit de wachtlijst verzamelen? Indien niet, dan kan men ook met een halve groep starten en na vier maanden de groep vol maken tot een hele groep. Probleem 3 is dat het kinderdagverblijf wel een omvang van minstens vier groepen moet hebben. Anders duurt het veel te lang voordat er een nieuwe babygroep kan starten. Bij een omvang van vier groepen kan men elk jaar een nieuwe groep starten. Bij een omvang van 8 groepen kan men elk half jaar een nieuwe groep starten. Probleem 4 is dat sommige baby’s erg lang moeten wachten voordat ze op het kinderdagverblijven terecht kunnen. Als ze pech hebben, wel bijna een jaar (als er maar één nieuwe groep per jaar gestart, die ook nog dadelijk helemaal vol zit). Voor de wachtende baby’s kan het kinderdagverblijf enkele gastouders in dienst hebben die de baby alvast opvangen totdat ze in de nieuwe groep terecht kunnen.

Voorbeeld: Kinderdagverblijf 4 bestaat op 1 september 2008 uit vier groepen
Babygroep (jarig tussen aug 2007- aug 2008):                6 baby’s, per nov. 8 (0-1 jaar), 3 leidsters
Dreumesgroep (jarig tussen aug 2006 – 2007):             10 kinderen, per jan 11 (1-2 jaar), 3 leidsters
Jonge peutergroep (jarig tussen aug 2005- aug 2006): 12 kinderen, per jan 14 (2-3 jaar), 4 leidsters
Oudere peutergroep (jarig tussen aug 2004- aug 2005): 16 kinderen, per jan 10 (3-4 jaar), 4 leidsters

Het kinderdagverblijf gaat uitbreiden naar 5 groepen en start in februari met een nieuwe groep 0-1 jaar (jarig tussen aug 2008 – maart 2009). Vanaf die tijd worden de leeftijdsgrenzen voor startende groepen op 9 maanden gezet.

5. Maximum aantal kinderen per week per groep
Er wordt als norm gesteld dat een groep maximaal 1 ½ x zo veel kinderen als plaatsen mag bevatten. Een babygroep van 8 baby’s mag 12 baby’ s bevatten. Een peutergroep 2-4 jaar mag 21 peuters bevatten. Voordeel: het is een eenvoudig toe te passen maatregel. Nadeel: het is een grove maat, voor individuele kinderen kan er nog steeds een heel instabiele groep zijn. Dit valt overigens na te gaan met behulp van NJi instrument (zie cdROM in “Welkom in de groep”).

6. Minimum aantal plaatsingsdagen stellen
Er wordt een norm gesteld om het aantal kleine plaatsingen te beperken. Bv minimaal 2 dagen per week of slechts 2 kinderen per groep die 1 dag mogen komen. Hiervoor gelden dezelfde voor en nadelen.