Tekstballon

Opvoeden van jongens

Verslag: Mireille Aarts.
Deelnemers aan de discussie: Erna Reiling, Welstede; Rosemarie de Mooy, Humanitas; Brigitta Huygensloot, Kinderrijk; Ank Greijmans, SSK; Eeke v/d Graaf, DAK; Marjan Icke, Triodus; Mathea Boogert, Link; Ingrid Brons, SKA; Marieke Grijpink, Triodus; Monnie Paashuis, SKAR; Mireille Aarts, Kion; Ria Bol, Babykids.
Discussieleider: Anja de Rek, SKON.

Anja begint met het voorlezen van een alinea uit het artikel 'Oorlog aan de jongens' van maart 2003: In een crèche en op de basisschool zien jongens bijna alleen vrouwelijke leidsters om zich heen. Die vinden hun avontuurlijke gedrag lastig. Ze kunnen zich beter identificeren met meisjes. Intussen lopen jongens een grote achterstand op: "We moeten ze redden!".

Stelling 1: In de kinderopvang wordt van nature 'mannelijk' gedrag (rivaliserend - en onderzoekend gedrag, dat zich bijvoorbeeld uit in stoeien en lawaai maken) vaak ervaren als lastig en stout. Dit gedrag wordt vaak onderdrukt.

De discussie spitst zich toe op de woorden 'lastig' en 'stout'. Gaat het om lastig en stout gedrag? Nee, het gaat erom dat het jongensachtige gedrag vaak ervaren wordt als lastig en stout.
Kinderen die tijdens kindbesprekingen besproken worden, zijn vaak jongens. Deze jongens vertonen expansief gedrag, fungeren als stoorzender.
Wat is jongensachtige gedrag? Jongens hebben een ander soort motoriek, grovere bewegingen etc. Ook vertonen ze meer rivaliserend en onderzoekend gedrag dan meisjes. Jongens hebben vaker ruzie, botsen vaker (of duidelijker zichtbaar) Jongens nemen meer ruimte in beslag.
De beschikbare ruimte is vaak beperkt. Buiten is meer ruimte en zijn meer mogelijkheden om je grof motorisch uit te leven. Gelukkig ontstaat er steeds meer aandacht voor de inrichting en het gebruik van de buitenruimte.
Groepsleiding gebruikt het naar buiten gaan soms als reactie, als redmiddel, voor jongens of een groep die druk is. Het zou beter zijn om rekening te houden met behoeften van jongens en hen de mogelijkheid bieden veel naar buiten te gaan.
De norm blijft: kinderen moeten 'rustig spelen'. Groepsleiding zijn bijna altijd een vrouwen. Ze hebben zelf meestal ook rustig gespeeld, want zo hebben meisjes dit geleerd.
Groepsleiding die kiest voor werken op kdv, is vaak meer verzorgend ingesteld, minder gericht op activiteiten als druk stoeien.
Groepsleiding heeft het gevoel dat ze 'iets moeten' met jongensachtig gedrag. Een conflict, lawaaiig spelen, rennen in de groep: groepsleiding vindt het moeilijk dit gedrag te laten voor wat het is.
We vinden overigens wel dat dit gedrag gevolgd moet worden, bv kijken hoe verloopt het conflict, worden er daadwerkelijke grenzen overschreden? Oudere bso-kinderen hoef je minder nadrukkelijk te volgen: zij komen over het algemeen naar groepsleiding toe als ze hulp nodig hebben.
In de opleiding tot groepsleiding zou veel meer aandacht moeten worden besteed aan de verschillen tussen (behoeften van) jongens en meisjes en de consequenties hiervan voor het pedagogisch handelen. Het is belangrijk dat er wat dit punt betreft de link met de praktijk wordt gelegd: werk aan de winkel voor degenen die stagiaires begeleiden op de werkplek.
Ook zou er aandacht besteed moeten worden aan de houding van groepsleiding en aan hun eigen normen en waarden: waar durf je de controle los te laten en waar liggen echte grenzen?

Stelling 2: In de kinderopvang moet veel meer aandacht worden besteed aan verschillen tussen (behoeften van) jongens en meisjes.

Deze stelling is te simpel. Er moet veel meer gesproken worden over of het beeld dat je hebt over behoeften van kinderen klopt met de werkelijkheid. Deze check moet veel vaker gemaakt worden.
Inrichting: eigenlijk zou je in alle activiteitenhoeken ervoor moeten zorgen dat zowel jongens en meisjes aan hun trekken kunnen komen.
Opvallend: Toolo, het technisch duplo is uit het assortiment gehaald. Hebben we ook nog nooit gezien op een kinderdagverblijf.
In Zweden is een kindercentrum dat niet alleen gemengde-, maar ook gescheiden activiteiten voor jongens en meisjes aanbiedt. Hier bleek dat meisjes dan ook achter de pc gingen spelen en technische spelletjes deden. Jongens werden nadrukkelijk gestimuleerd om bv te knutselen etc.
Tot nu toe vinden we het in Nederland vanzelfsprekend dat jongens en meisjes in de groep en bij activiteiten gemixed worden, misschien heeft deze mix ook nadelen. Misschien is dit Zweedse idee iets om eens in Nederland uit te proberen.

Stelling 3: Er zijn GEEN essentiële verschillen tussen vrouwelijke- en mannelijke groepsleiding.

We gaan ervan uit dat deze stelling gaat over niet-biologische verschillen, maar over verschillen in pedagogische aanpak.
Om te beginnen maakt het voor een kind uit of er mannelijke- of vrouwelijke groepsleiding is. Jongens kunnen zich identificeren met een man, meisjes met een vrouw. We denken dat het grote gevolgen kan hebben als je als (kleine) jongen omringd wordt door voornamelijk vrouwen. Het lijkt alsof er steeds minder mannen voorkomen in de leefwereld van jongens: niet alleen werken er praktisch geen mannen in kinderopvang, ook in basisonderwijs slinkt het aantal mannen. Veel kinderen groeien op in een éénoudergezin, meestal bij de moeder.
Naar aanleiding van stelling 1 is al het nodige gezegd over vrouwelijke groepsleiding.
Een genoemd verschil in aanpak is dat mannen meer naar buiten gericht, actief zijn. Een man gaat iets doen, de kinderen komen achter hen aan. Een vrouw sluit eerder aan bij waarmee de kinderen bezig zijn.

Stelling 4: Een kindercentrum zonder mannelijke groepsleiding doet de jongens tekort.

We vinden dat elk kindercentrum zou moeten beschikken over vrouwelijke - en mannelijke groepsleiding. Anders doe je niet alleen de jongens, maar ook de meisjes tekort.

De grote vraag is: waarom zijn er zo weinig mannen in de kinderopvang:

  • •onvoldoende doorstroommogelijkheden
  • •lage status
  • •laag salaris
  • •bso-uren zijn ongunstig

We hebben de indruk dat mannen het wel leuk vinden om te werken in de bso, voor het kdv is vanuit mannen echt heel weinig belangstelling.

We moeten niet alleen veel aandacht besteden aan werving van personeel, maar ook aan het vasthouden ervan. Eén man binnen een verder vrouwelijk team kan lastig zijn voor de man (andere cultuur, andere manier van communiceren). Binnen de bso kan groepsleiding zich ook (enigszins) specialiseren, het ligt op een bso meer voor de hand gebruik te maken van de aanwezige kwaliteiten van groepsleiding. Knelpunt op de bso is het grote verloop onder personeel.

Stelling 5: Mannelijke groepsleiding is vooral van belang voor bso-jongens. Bij jonge kinderen speelt dit punt veel minder.

Deze stelling is niet meer apart besproken, maar is hierboven in feite al beantwoord