Babyopvang
14 deelnemers waaronder platformleden Mireille Aarts en Loes Kleerekoper (verslag).
Als eerste wordt de stelling besproken:
Kinderdagverblijven hebben geen enkele meerwaarde voor kinderen die jonger zijn dan één jaar.
Hierover worden onder andere de volgende opmerkingen gemaakt:
- Als je goed kijkt zie je de meerwaarde, zoals veel plezier in het samenzijn met andere kinderen en het opbouwen van relaties met meerdere volwassenen.
- Als aan de juiste voorwaarden (zoals continuïteit, deskundige leidsters, goed georganiseerde groep) wordt voldaan, kan de groep meerwaarde hebben voor een baby, als dit niet het geval is, is er ook veel verdriet te zien bij baby's in het kinderdagverblijf.
- Er wordt niet voldoende meerwaarde geboden omdat er geen pedagogen op de groep komen om de leidsters direct te adviseren.
- Baby's kunnen zichzelf alleen ontdekken als de groep overzichtelijk is, niet als deze chaotisch is.
- Leidsters in babygroepen hebben vaak veel geduld en aandacht voor de kinderen.
- Of een baby profiteert van het verblijf in het kinderdagverblijf, heeft ook te maken met zijn temperament.
- Leidsters weten soms niet goed wat ze met baby's kunnen doen.
- Groepsruimten zijn niet altijd aangepast aan baby's en leveren dan niet voldoende veiligheid en geborgenheid.
Vervolgens komt aan bod de stelling:
Leidsters in de babygroep hebben specifieke (bij)scholing nodig om hun werk goed te kunnen doen.
Algemene opmerking: Opleidingen verschillen sterk, het is moeilijk algemene oordelen te geven
- Op de opleiding wordt weinig specifieke aandacht besteed aan baby's.
- Leerlingen leren vooral de omgang met één baby, niet met een groep.
- Er is meer kennis van de ontwikkeling van kinderen nodig.
- Basiszaken zoals bijvoorbeeld niet zomaar een kind oppakken, horen thuis in de opleiding.
- Het begeleiden van stagiaires moet niet alleen intuïtief gebeuren, er moet ook veel verwoord worden.
- Leidsters moeten leren dat ze niet dezelfde hoeveelheid aandacht aan een baby kunnen geven als een moeder, als ze dat nastreven, lopen ze vast.
- De houding van leidsters ten aanzien van huilen is basaal. Zij moeten verschillende oorzaken van huilen leren herkennen en in staat zijn om ondanks huilende baby's niet gestresst te raken en de rust in de groep te bewaren. Ø Leidsters moeten beter leren kijken naar baby's en oog krijgen voor kleine signalen.
- Voorbeeld uit Hongarije: Leidsters die net beginnen krijgen de zorg voor één baby, ze worden daar intensief op begeleid door een pedagoog, als het goed gaat komt er een baby bij, enz.
- Zowel voor leidsters in opleiding als voor beginnende en meer ervaren leidsters is de inbreng van een pedagoog bij het dagelijks handelen vreselijk belangrijk.
Iets korter bespreken we de stellingen:
Groepsleiding op een babygroep moet minstens vier dagen per week werken
en:
Het werken met invallers in een babygroep is onverantwoord.
Het gesprek gaat vooral over de noodzaak van continuïteit, gezien vanuit de baby en over mogelijkheden om daar aan tegemoet te komen. Naast continuïteit in de aanwezigheid van dezelfde leidsters, te versterken door een systeem met mentorkinderen, komt ook het belang van overdracht tussen leidsters sterk naar voren. Vaak is deze betrekkelijk oppervlakkig. Er wordt gepleit voor een vorm van overdracht waarbij tot in de details wordt afgestemd hoe met het kind wordt omgegaan in de verzorging (houding bij het verschonen, soort lepeltje bij het fruithapje, manier van neerleggen in bed). Leidsters moeten dan goed weten wat ze moeten bespreken. Ze zouden vaak veel kunnen leren, maar het is soms moeilijk ze daar van te overtuigen. Het goed verzorgen van de overdracht is daarnaast een kwestie van organiseren en samenwerken op de groep, waardoor tijd beschikbaar komt voor overleg. Voor wat betreft baby's die één dag komen: meestal wordt dit als ongewenst beschouwd. Toch zitten er vanuit het oogpunt van continuïteit ook voordelen aan: het verblijf in het kinderdagverblijf is maar een klein gedeelte van het opvang arrangement van dit kind, als de rest van de week overzichtelijk is, hoeft dit geen belasting te zijn. Bovendien ziet het kind altijd dezelfde leidster(s) en andere kinderen. Vaak weten leidsters heel goed waar het om gaat bij het bieden van continuïteit. Zij kunnen zelf aangeven waardoor het beter kan gaan werken. Werken met ingewerkte invallers kan prima gaan. Er moet goede informatie zijn, bijvoorbeeld d.m.v. een boekje voor invallers met relevante informatie.
Ook wordt nog even over de volgende stelling gesproken:
Je mag ouders er niet op aanspreken als hun baby niet goed gedijt bij het opvangarrangement dat zij hebben geregeld.
Opgemerkt wordt dat ouders zich soms helemaal niet realiseren hoe groot de overgang voor een baby is als hij naar het kinderdagverblijf gaat. Het is belangrijk veel met ouders te praten. Je kunt hen ook aanspreken op hun opvangarrangement, maar het doet er wel erg toe hoe je dat brengt. Ouders kunnen andere verwachtingen hebben en daarnaast: wie bepaalt wat goed is voor het kind. Het is goed om de eigen pedagogische visie op babyopvang uit te dragen, maar je moet daarbij goed opletten of de ouders nog "mee gaan", dit vereist veel contact en afstemming.
Op de vraag: wat verwacht je verder van het platform, wordt aangegeven dat men de notitie babyopvang graag verder geconcretiseerd zou willen zien, aansluitend op de praktijk. Opgemerkt wordt dat het boekje over babyopvang dat dezer dagen door het NIZW wordt uitgebracht, waarschijnlijk voor een groot deel al dergelijke concretiseringen bevat. Door de deelnemers wordt aangegeven dat er al veel is over en rond babyopvang, bijvoorbeeld over het Piklerinstituut en in het kader van het project Babyopvang van het NIZW. Het is belangrijk dat dit bij elkaar wordt gebracht