Tekstballon

Verantwoording

In het najaar 2005 ontstond het idee van een landelijk curriculum bij het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang. Het curriculum past in deze periode van de geschiedenis waarin kinderopvang steeds meer als pedagogische voorziening wordt erkend. Opvang = Opvoeden. In peuterspeelzalen was deze gedachte al langer gemeengoed. Kinderdagverblijven werden lange tijd voornamelijk gezien als middel om het buitenshuis werken van ouders te bevorderen.

De meeste leden van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang werken als pedagogisch staffunctionaris bij grote kinderopvangorganisaties. Binnen hun organisaties hebben ze veel vernieuwend werk verricht. Pedagogische beleidsplannen zijn geschreven en wenprotocollen gemaakt. Buitenruimtes zijn omgetoverd tot avonturenspeelplaatsen. Kindvolgsystemen zijn ontwikkeld en geïmplementeerd. Samenwerken met ouders is in beleid vastgelegd. De groep als inspiratiebron voor kinderen is ontdekt en de fundamenten zijn gelegd voor een speciale pedagogiek voor 0- tot 4-jarigen in groepen. Dit is slechts een greep van het vele ontwikkelingswerk dat binnen diverse organisaties in het land plaats vond en nog steeds vindt. Maar de leden van het pedagogenplatform willen een steviger basis. Ze willen de krachten bundelen en de wereld laten zien wat voor mooi pedagogisch werk wordt verzet in kindercentra. Het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang ziet het landelijke curriculum als middel tot kwaliteitsverbetering van de hele sector:

  1. Het biedt een gemeenschappelijk kader dat groepsleiding inspireert en ondersteunt bij het in beeld brengen van hun pedagogische werk.
  2. Het vormt een basis voor pedagogische beleidsplannen voor de eigen instelling die worden bespoken met de ouders.
  3. Het maakt wetenschappelijke en praktijk kennis die ontwikkeld is in diverse organisaties in binnen- en buitenland toegankelijk voor de hele sector.
  4. Het biedt een inspiratiebron voor het uitvoerende werk van de pedagogisch medewerkers.
  5. Het gebruik levert discussies in de sector op die kunnen leiden tot vernieuwingen in het curriculum.
  6. Het curriculum kan worden opgenomen in het beleidskader voor kwaliteitsbewaking van de sector. Er kan bijvoorbeeld in de Wet Kinderopvang of in het Convenant Kwaliteit Kinderopvang naar verwezen worden.

Draagvlak voor de theoretische uitgangspunten

In 2006 vond de toenmalige voorzitter van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang, Kok van der Meer, haar organisatie, Kinderopvang DAK in Den Haag (inmiddels Dak kindercentra), bereid om een subsidieaanvraag te doen bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een project van anderhalf jaar ter ontwikkeling van een landelijk pedagogisch raamwerk voor de kinderopvang. Veel kinderopvangorganisaties steunden dit initiatief. De subsidie werd toegekend en wij – de ontwerpers van het curriculum – werden aangetrokken; Elly Singer als projectleider en Loes Kleerekoper als projectmedewerker. In november 2006 ging het project van start. We hadden een goed projectplan gemaakt. Maar eigenlijk wisten we ook niet waar we aan begonnen. De meeste westerse landen hebben een landelijke curriculum kinderopvang. Maar die verschillen van opzet en doelstelling. Een Nederlands curriculum moet passen binnen onze wet- en regelgeving voor de kinderopvang en peuterspeelzalen. Het curriculum moet een antwoord geven op de vraag hoe de pedagogische doelen die genoemd worden in de Wet op de Kinderopvang kunnen worden gerealiseerd.

Wat is een curriculum?

Het woord curriculum betekent letterlijk: leerplan. In het onderwijs legt een curriculum precies vast wat een leerling moet leren. Pedagogen in de kinderopvang zien het echter meer als een richtinggevend raamwerk met algemeen pedagogische uitgangspunten, dat ook aangeeft hoe deze in de dagelijkse praktijk uitwerken. Belangrijk aan het Landelijk Curriculum is dat er een gemeenschappelijke taal ontstaat en dat het de groepsleiding in kindercentra inspiratie en ondersteuning biedt bij hun werk. Door het begrip curriculum te gebruiken sluiten we aan bij het woordgebruik in de meeste andere landen.

Een curriculum is pas 'landelijk' als het breed wordt gedragen: door pedagogisch medewerkers, ouders, ondernemers en pedagogen in de kinderopvang en door de overheid. Daarom is steeds veel waarde gehecht aan het proces van meedenken door een grote groep betrokkenen. Geïnspireerd door de werkwijze die in Nieuw Zeeland is gebruikt om een Landelijk Curriculum te maken, besloten we tot de volgende werkwijze. De uitvoerders – wij dus – werden getoetst aan het oorspronkelijke projectplan en gesteund door de Stuurgroep die bestond uit leden van het pedagogenplatform, Kok van der Meer (voorzitter), Tineke Linssen (huidige voorzitter pedagogenplatform), Marieke Bosma en Ans Vermeulen. Het eerste ontwerp van de basale uitgangspunten van het curriculum (de kern) werd voorgelegd aan de Stuurgroep en daarna aan het hele pedagogenplatform. Daarna werd de kern door ons uitgewerkt in de hoofdstukken van Deel 1, het theoretische kader. Deze teksten werden op onze website gezet, www.curriculumkinderopvang.nl, en uitstekend vormgegeven en beheerd door Luc Last. Mensen werden uitgenodigd commentaar te geven en velen hebben daar gebruik van gemaakt: wetenschappers, pedagogisch medewerkers, ouders, pedagogen. Leden van het pedagogenplatform legden de teksten voor aan hun pedagogisch medewerkers. In maart 2007 namen circa honderd actief betrokken kinderopvangpedagogen deel aan een door het pedagogenplatform georganiseerd congres over de Basis en het Theoretische kader.

Een formeler vorm van meedenken was georganiseerd via de adviescommissie , bestaande uit vertegenwoordigers van de kinderopvangorganisaties (MOgroep Kinderopvang, Ria Hoogedoorn; De Branchevereniging, diverse vertegenwoordigers); de ouders (BOinK, Gjalt Jellesma en Nienke Willering; VVAO, Wilma de Mooij); en de opleidingen (Calibris, Bea Naninck; MBO-raad, Rennie ten Dam). Ook werden er op individuele basis talrijke gesprekken gevoerd met de ABVAKABO FNV (Corrie van Brenk en diverse vakbondsleden); wetenschappers die vanuit het NCKO werken aan de toetsing van de kwaliteit van de kinderopvang in Nederland (zoals Louis Tavecchio en Mirjam Gevers Deynoot); pedagogen betrokken bij peuterspeelzalen (zoals Erna Reiling); pedagogen en onderzoekers die betrokken zijn bij het onderzoek, de ontwikkeling en de implementatie van de programma's voor Voor- en Vroegschoolse Educatie zoals Piramide, Kaleidoscoop, Startblokken, Sporen en Puk en Ko; pedagogen die op landelijk niveau ontwikkelwerk doen op het gebied van kindercentra, zoals Sardes en het Nederlands Jeugd Instituut. Ook is samengewerkt met de initiatiefgroep Context Kinderopvang, een groep directeuren van organisaties voor kinderopvang die zich inzetten voor een maatschappelijke discussie over de erkenning van maatschappelijke functies van kinderopvang. Tenslotte werden er lezingen en workshops gehouden op diverse congressen en regionale bijeenkomsten. Al deze reacties en gesprekken resulteerden begin januari 2007 in een eerste versie van het theoretische kader en in september 2007 in een tweede versie.

Tijdens dit traject hebben pedagogen en andere betrokkenen bij peuterspeelzalen aangegeven dat zij dit curriculum ook als leidraad voor hun werksoort willen zien.

Schrijvers en meedenkgroepen

September 2007 begon de tweede fase van het curriculumproject. Er werden 11 praktijkthema's gekozen: 4 verzorg-leergebieden en 7 speel-leergebieden. Voor deze 11 thema's werden schrijvers geworven die zich in het verleden verdienstelijk hadden gemaakt op het betreffende gebied. Natuurlijk zijn er in Nederland op die gebieden veel meer deskundigen. Daarom formeerden we rond de schrijvers, zogenaamde meedenkgroepen. Op deze wijze waren meer dan 70 mensen betrokken bij het schrijven van het Deel 2, 11 hoofdstukken over de Praktijk. De schrijvers zijn: Inge van Rijn; Loes Kleerekoper; Aafke Huisman; Tineke Linssen en Leonie Heutz; Hanneke Poot; Elly Singer; Djuna Denkers; Lidwien van Noorden; Kees Both; Dorian de Haan. De meedenkers staan bij het betreffende hoofdstuk vermeld.

De schrijvers hadden tot taak om het theoretische kader uit te werken op diverse gebieden en praktijkvoorbeelden te geven. Ieder vanuit zijn of haar eigen invalshoek en achtergrond. Dit resulteerde in 11 prachtige hoofdstukken. Maar ook in een woud van begrippen en benaderingen. Gelukkig bleek op hoofdlijnen consensus. Qua pedagogische ideeën kon iedereen zich vinden in het theoretische kader. Maar iedereen drukte zich anders uit. Toen brak voor ons – de schrijvers en redacteuren van het curriculum – de moeilijkste tijd aan. Hoe konden we van al deze bijdragen een geheel maken? We maakten analyses. We zagen overlap tussen alle hoofdstukken. We zagen enorme verschillen in stijl. Van februari tot juni hebben we gewerkt aan het grondig herzien van alle hoofdstukken in overleg met de schrijvers. Het resultaat hiervan is te lezen op de website.

Het herschrijven is echter nog niet voltooid met het afsluiten van het project. De hoofdstukken van de schrijvers van de Praktijk hebben ook tekortkomingen zichtbaar gemaakt van het theoretische kader in het eerste deel. Ook die hoofdstukken zullen moeten worden herzien. Praktijk en Theorie leveren op deze wijze commentaar op elkaar en zo hoort het ook. Maar geheel afgerond is deze website-versie daardoor niet. Nog twee maanden hebben we nodig om nogmaals zowel het theoretische kader als de Praktijk, te redigeren en op elkaar af te stemmen. Dan gaat een tekst naar de uitgever, Reed Business. Waarschijnlijk verschijnt begin 2009 de volgende versie van het Nederlands Curriculum in boekvorm en digitaal op de website. Dan moeten wij – Elly en Loes – het loslaten. Dan zal blijken hoe inspirerend dit curriculum zal uitwerken. Naar wij hopen zullen er vele implementatieactiviteiten ontplooid en uitgewisseld worden, mogelijk via de website. Zoals pilots om scholingsmateriaal te ontwikkelen en te testen voor ROC's en trainingen voor teams op de werkvloer.

Het schrijven van een Nederlandse Pedagogiek voor kindercentra 0-4 jaar was een veel groter project dan wij hadden voorzien. Maar we hebben veel geleerd, samen met alle mensen die een bijdrage hebben geleverd . We willen iedereen bedanken voor de inzet en steun. Veel meer mensen hebben een bijdrage geleverd dan we in dit voorwoord kunnen noemen. Niet alleen door mondelinge en schriftelijke reacties op de website en tijdens bijeenkomsten. Maar ook door het maken van tekeningen (Simon Jongma) en door het leveren van fotomateriaal. Juist door de foto's die ons ter beschikking zijn gesteld door kindercentra (kindercentra en fotografen worden vermeld in de Beeldverantwoording) en die speciaal voor ons gemaakt zijn door fotograaf Ruben Keestra wordt het verhaal van jonge kinderen in kindercentra verteld. Het verhaal van hun belevenissen en hun kind-zijn in de groep. Bij de kinderen vinden pedagogisch medewerkers hun inspiratie. We hopen dat we in dit curriculum iets van het sprankelende van het werken met jonge kinderen hebben kunnen overdragen. Als we zo doorgaan met van elkaar leren, krijgt Nederland topkwaliteit kinderopvang. Een goed functionerend curriculum biedt een basis waar iedereen vanuit gaat en die ruimte schept voor eigenheid, bijzondere keuzes en creativiteit.
 

Elly Singer
Loes Kleerekoper

31 mei 2008