Tijd voor andere tijden?
Auteur: Eline Kramer, werkzaam als pedagogisch werkbegeleider bij de SKSG Kinderopvang te Groningen en lid van het Landelijk Pedagogenplatform voor de Kinderopvang.
De zomervakanties zijn bijna voorbij en met ingang van 1 augustus is elke school in Nederland wettelijk verplicht om voor- en naschoolse opvang aan te bieden tussen 07.30 en 18.30 uur. Vele scholen gaan een samenwerkingsverband aan met kinderopvangorganisaties volgens het makelaarsmodel.
De kinderopvangorganisaties hebben het erg druk om de organisatie kloppend te krijgen. Gretig zijn ze op zoek naar ruimtes en bezig met het maken van passende roosters en het vinden van het nodige personeel. Het doet een groot beroep op de creativiteit en inventiviteit van de mensen.
Temidden van deze hectische ontwikkelingen moeten we stil blijven staan bij wat we nu werkelijk willen met de school en de vrije tijd van onze Nederlandse kinderen. Waar hebben de kinderen recht op? Wat wil het kind zelf? Wat hebben wij hen te bieden? Wat is een ideale dagindeling voor het kind en wat zijn de wensen van ouders?
In dit verband hebben we binnen het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang (LPK) een discussie gevoerd over het onderwerp dagarrangement en welke plek de bso en het kind hierin hebben. Het is een veelomvattend onderwerp en moeilijk in een artikel samen te vatten. Desondanks een greep uit de discussie.
Dagarrangement
Een dagarrangement is een samenhangend en doorlopend aanbod van onderwijs,opvang en ontspanning (vrijetijdsvoorzieningen) waar kinderen op basis van behoefte en eigen keuze gebruik van kunnen maken.
In de discussie tijdens het LPK komt ter sprake dat de basis van het dagarrangement wordt gevormd door de samenwerking tussen BSO en het onderwijs. Deze beide ‘dragers’ van de samenwerking kunnen derde partijen inschakelen zoals sport, welzijn en cultuur. Uiteraard is dit wel afhankelijk van hoe zaken nu georganiseerd zijn. Bijvoorbeeld daar waar bso en kinderwerk /naschoolse activiteiten volledig geïntegreerd zijn, ligt het voor de hand dat in deze combinatie het samenwerkingsverband met de school tot stand komt.
Voor een succesvol dagarrangement is het de uitdaging voor alle betrokkenen om:
-
als gelijkwaardige partners om de tafel te gaan zitten en met elkaar te praten en niet tegen elkaar
-
een gemeenschappelijk pedagogisch denkkader te hebben (bijvoorbeeld hetzelfde kindbeeld)
-
het kind als vertrekpunt te nemen; kinderen weten wat ze willen; het competente kind
-
Er naar te streven dat de drie O’s (onderwijs,opvang en ontspanning) vloeiend in elkaar overgaan en op elkaar zijn afgestemd.
Het kind centraal
Bij het bedenken van hoe de dagindeling bij een dagarrangement eruit ziet, zijn verschillende vormen mogelijk. Houden we het zoals het nu gaat of kiezen we voor een zeer praktische oplossing, waarbij alle kinderen tot 14.00 uur naar school gaan, ergens een korte pauze hebben en daarna naar de bso (continurooster) gaan. Of nemen we het kind ook hierin als uitgangspunt door te kijken hoe het kind het meest tot zijn recht komt en delen we de dag zo in dat we rekening houden met het biologisch ritme van de kinderen?
Het biologisch ritme (bioritme)
Het biologisch ritme is een 24uurs ritme waarin bepaalde hormonen in en fysiologische kenmerken van het menselijke lichaam volgens een regelmatig patroon schommelingen vertonen. Dit leidt tot verschillen in attentieniveau, alertheid, concentratie, geheugenwerking en prestaties gedurende de dag. Onderzoek wijst twee piektijden aan, waarop het attentieniveau, de geheugenwerking en de leerprestaties het beste zijn:
- tussen 10.00 uur en 12.00 uur (opgebouwd vanaf 9.00 uur)
- tussen 15.00 uur en 17.00 uur (opgebouwd vanaf 14.00uur)
De slechtste tijden (daluren) overdag voor intellectueel prestaties zijn:
- Tussen 8.30 uur en 9.00 uur
- Tussen 12.00 uur en 14.30 uur.
De verschillen in attentieniveau en leerprestaties gedurende verschillende tijdstippen van de dag zijn volgens wetenschappelijk onderzoek duidelijker als het kinderen betreft met lagere intellectuele capaciteiten of uit achterstandswijken. Kinderen met veel intellectuele bagage zouden beter in staat zijn om zich over een dip ten gevolge van biologisch ritme heen te zetten 1*)
Liesbeth Schreuder en Marielle Balledux (NJI) hebben literatuuronderzoek gedaan naar het onderwerp ‘biologisch ritme van kinderen en schoolprogramma’.
In dit onderzoek komt bijvoorbeeld het werken met een langere middagpauze aan de orde. Een aanbeveling is dat er tijdens deze pauze wordt geluncht voorafgegaan door een half uurtje buiten spelen.
Na de lunch is er gelegenheid om rustige activiteiten te gaan doen en eventueel voor de allerkleinsten een mogelijkheid om even te gaan slapen. Vervolgens vindt er een georganiseerde groepsactiviteit plaats waarna om 14.00 uur de schoollessen starten.
Wat de school betreft is de tijd tussen 9.00 uur en 12.00 uur het meest geschikt voor het aanleren van nieuwe dingen, terwijl er ’s middags na 14.00 uur meer aandacht moet zijn voor de geheugentaken. 2*)
Dit is precies waar de school en de bso elkaar zouden kunnen aanvullen. Op het juiste moment de juiste persoon met zijn kwaliteiten met de kinderen aan het werk. De maaltijd en de activiteiten die tussen de middag plaatsvinden kan de bso op pedagogisch kwalitatief goed niveau aanbieden.
Op deze manier hebben de leerkrachten hun pauze en kunnen kinderen tussen de middag ook rustig in hun eigen tempo eten. We zouden nog verder kunnen gaan door de kinderen een gezonde (warme) maaltijd aan te bieden, waarmee we gelijk de grote invloed benutten die we hebben op kinderen t.a.v. wat we eten en hoe we eten.
Kijken vanuit het biologische ritme van kinderen is een manier om een verdere dagindeling in te vullen.
De kwaliteiten van de professionals kunnen veel meer over en weer worden gebruikt. Er zijn mogelijkheden om opvoedthema’s samen aan te pakken, bijvoorbeeld antipestprogramma’s. Er zijn mogelijkheden om activiteiten te integreren. Dat kinderen leren is niet iets van school alleen. Ook op de bso, kinderwerk en clubjes e.d. heeft het kind (zelf)zijn leerervaringen op allerlei gebieden: sociaal en emotioneel, creatief en expressief, lichamelijk, wetenschappelijk, op het gebied van taal en op het gebied van natuur en techniek. Vanuit deze gebieden kunnen activiteiten worden aangeboden of kunnen kinderen zelf initiatief nemen.
Ook biedt het nieuwe perspectieven voor de functie van bso krachten: ze zouden in het middagprogramma mee kunnen draaien op school als klassenassistent waardoor de overgang van school naar vrije tijd soepeler verloopt en wat aantrekkelijkere arbeidscontracten oplevert (experiment Ynlaet school in Heerenveen 1*).
Belangrijk is dat we voor ogen houden dat bso vrije tijd is voor de kinderen en dat de vrijwilligheid tot participatie moet blijven bestaan. Daarnaast staat de school met de leerkracht die zijn tijd terecht indeelt om leerdoelen/eindtermen te behalen. Automatisch krijg je daarmee dat er verschillende omgevingen met verschillende regels zijn. De school hoeft dus niet precies hetzelfde te zijn als de bso. Het is zelfs goed dat kinderen leren omgaan met deze verschillende werelden.
Tot slot nog een belangrijke opmerking: laten we niet streven naar een volledig geprogrammeerde dag voor de kinderen. Het kind heeft ook recht om zich te vervelen. Vervelen heeft een functie, namelijk dat de hersenen even tot rust komen en dat er een beginpunt ontstaat voor nieuwe actie. Kinderen hebben behoefte aan afwisseling tussen rust, leren en spelen.
Bronnen
1*) Tijd voor de basisschool, factsheet ten behoeve van de invitational conference ‘Tijd voor school 2006’ op 31 mei 2006, Museon, Den Haag. Samengesteld door het Sociaal en Cultureel planbureau.
2*) Liesbeth Schreuder en Marielle Balledux (NJI) hebben in opdracht van de basisschool De Oosterweide in Gouda literatuur onderzoek gedaan naar het ‘biologisch ritme van kinderen en schoolprogramma’, is te downloaden op de site van het NJI.