Reactie op de nieuwe kwaliteitsregels
Aan de voorzitter en de leden van de
Tweede Kamer der Staten Generaal,
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Den Haag, 9 maart 2004
Betreft: Wetsvoorstel WBK en Voorontwerp AMvB
Geachte leden van de Tweede Kamer,
Onlangs hebben wij kennis genomen van het Voorontwerp AmvB bij de Wet Basisvoorziening Kinderopvang. Als Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang maken wij ons ernstig zorgen om de effecten op de pedagogische kwaliteit van de kinderopvang, als deze AmvB zou worden vastgesteld. Het Pedagogenplatform vertegenwoordigt de meeste in de Nederlandse kinderopvang werkende pedagogen.
Allereerst hebben we met verbazing geconstateerd hoe in de opeenvolgende Wetsvoorstellen de pedagogische kwaliteitseisen stap voor stap zijn verwijderd. Waar eerst sprake was van een beleidsplan, van de vier basiselementen van de pedagogische kwaliteit van de vorige hoogleraar Kinderopvang Marianne Riksen Walraven (veiligheid, persoonlijke en sociale competentie en normen en waarden) en van inhoudelijke informatievoorziening aan ouders, is nu nog slechts een eenmalig contract vereist met de ouders waarin de dagindeling en de omgangswijze zijn vastgelegd. Duidelijke formuleringen zijn verdwenen of vervangen door vage niet-professionele termen ('omgangswijze'). Er wordt nog slechts gesproken over 'verantwoorde en gezonde' kinderopvang. Wij vragen ons af wat de overwegingen hierbij zijn geweest. Inhoudelijk valt namelijk op bovengenoemde basiselementen weinig af te dingen.
Tenslotte kondigt de minister aan dat hij voornemens is om in 2007 alle kwaliteitseisen in de AMvB te laten vallen!
De indruk ontstaat dat het de overheid aan moed ontbreekt om een visie op kwaliteit en de daarbij horende eisen te formuleren. Voor de kwaliteit van de kinderopvang voor 20% van de 0-4-jarigen in Nederland legt ze de verantwoordelijkheid geheel bij de ouders en de sociale partners. Of bij de inspectie, want die zal nu moeten gaan bepalen wat verantwoorde opvang is.
Deze deregulering van de pedagogische kwaliteit vormt wel een schril contrast met de zeer gedetailleerde regelgeving waarmee de kinderopvang wel te maken krijgt: de Warenwet (voedselhygiëne), de Arbo-wet (ergonomische normen), Attractiebesluit (buitenruimten), Bouwbesluit. Deze onevenwichtigheid zal in de hand werken dat instellingen het accent gaan leggen op de genoemde regelgeving en dat de pedagogische kwaliteit daarbij wordt ondergeschoven. Kunnen we uit deze visie opmaken dat hygiëne, veiligheid en ergonomie wél en pedagogische kwaliteit niet tot de verantwoordelijkheid van de overheid wordt gerekend?
Zonder goede landelijke normen ontstaat er goedkope en dure kinderopvang. De kwaliteit zal omlaag getrokken worden als organisaties die de kwaliteit hoog in het vaandel hebben staan, uit concurrentieoverwegingen zichzelf minder eisen zullen gaan stellen. De keuze van ouders wordt vaak bepaald door de reistijd en de prijs. Pedagogische kwaliteit is voor ouders niet altijd een duidelijk zichtbaar, maar ook niet altijd realistisch, criterium.
Niet in het minst vrezen wij de effecten van wat de AMvB zegt over de leidsterkindratio en de maximale groepsgrootte:
Onderzoeken lijken tot nu toe uit te wijzen dat kinderen waarschijnlijk geen nadelige gevolgen ondervinden van de kinderopvang onder de huidige kwaliteitsnormen. In grotere groepen stijgt het aantal prikkels. Dat kan met name voor baby's schadelijk zijn. Teveel stress bij baby's kan een negatief effect hebben met name op de sociaal-emotionele ontwikkeling. Wij willen u dan ook dringend verzoeken erop aan te sturen dat de huidige normen voor de maximale groepsgrootte gehandhaafd blijven.
Ook afronding van de leidster-kind-ratio mag niet leiden tot verhoging van het aantal kinderen baby's per leidster in babygroepen. Het mag niet mogelijk zijn dat er vanuit bezettingmotieven meer dan 4 baby´s per leidster op een groep worden geplaatst omdat er te weinig peuters in de peutergroep zijn. Voldoende tijd en aandacht is voor baby's belangrijk door de afhankelijkheid van de baby van een vertrouwde leidster.
Voor de opvang van kinderen in de basisschoolleeftijd gelden volgens het Voorontwerp geen eisen meer voor de maximale groepsgrootte en bij de 8 - 12 - jarigen kan het maximaal aantal kinderen per beroepskracht van 10 naar 15. Hierdoor zou samenwerking met bijvoorbeeld scholen, vrijetijdscentra en sportverenigingen eenvoudiger worden. Wij zien nog niet hoe die samenwerking met 15 kinderen beter gaat dan met 10, tenzij het gaat om een vrijgekomen budget dat door de verhoogde ratio wordt uitgespaard. Die voorwaarde zou dan tenminste moeten worden opgenomen. We willen U er bovendien op wijzen dat ook voor deze kinderen een vertrouwde eigen plek en vaste groepsleiding belangrijk zijn. Waar de samenleving vraagt om opvoeding in normen en waarden, is voldoende individuele aandacht en interactie met volwassenen van groot belang.
Misschien zijn genoemde flexibiliseringen ingegeven door nieuwe visies in de kinderopvang zoals Reggio, Pikler, Open-deuren-beleid, TOPgroepen. Maar het verruimen van ratio's zal alleen te verantwoorden zijn als uit onderzoek blijkt dat de pedagogische kwaliteit niet in het gedrang komt, en als de uit de visies voortkomende voorwaarden duidelijk worden beschreven. Het lijkt dus eerder voor de hand te liggen om genoemde flexibiliseringen vooralsnog in experimenten onder te brengen. Het nog op te richten kenniscentrum zou daarbij voor ondersteuning en onderzoek zorg kunnen dragen.
Van de pedagogische uitgangspunten is slechts blijven staan, dat ouders vooraf contractueel geïnformeerd moeten worden over dagindeling en 'omgangswijze'. Wat is de visie hierachter? Dat ouders als eerste samenwerkingspartner worden gezien, vinden wij uitstekend. Maar waarom wordt gekozen voor deze twee items en niet pedagogische uitgangspunten en werkwijze, inrichting, groepssamenstelling, wijze waarop communicatie met de ouder plaatsvindt? Wat is de consequentie van dit contractueel vastleggen, dat daarna de dagindeling en omgangswijze niet meer mogen veranderen, of dat er dan nieuwe contracten gesloten moeten worden? Is het contract dan hetzelfde als een summier pedagogisch werkplan?
De AMvB en de wetsconcepten wekken de indruk dat men het nog niet weet. In de concepttekst van de wet -art.49, daarin stonden vroeger de kwaliteitseisen - staat nu ineens dat in kindercentra Nederlands als voertaal wordt gesproken. Wij vragen ons af waar deze tekst opeens vandaan komt, zeker gezien het feit dat er vervolgens erg weinig gezegd wordt over de inhoud van de pedagogische kwaliteit.
Het lijkt er ook op dat de minister zijn handen er niet aan wil branden. Opvoeding van jonge kinderen is een belangrijke taak, en waar de overheid kinderopvang wil stimuleren (en dat wil ze ten behoeve van de arbeidskrachten), daar moet ze ook eisen stellen aan de ontwikkeling van pedagogische kwaliteit.
De minister zou ervoor kunnen kiezen om op dit moment kwaliteitseisen vast te leggen waarover in het land consensus bestaat, en het nog op te richten kenniscentrum de taak te geven om, mede n.a.v. de onderzoeksresultaten van het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (Tavecchio e.a.) en in overleg met de branche, kwaliteitseisen in een later stadium nader te formuleren.
Wij doen hieronder een voorstel:
- Er wordt gewerkt volgens een beschreven pedagogisch beleid, waarin opgenomen samenwerken met ouders, dagindeling, ontwikkeling van persoonlijke competentie (ontwikkelingsgebieden, zelfvertrouwen en zelfbeeld) en sociale competentie (hoe wordt gebruik gemaakt van de meerwaarde van de groep), leidster kindinteractie, wenbeleid, ruimten en inrichting)
- Een samenvatting van dit beleid wordt opgenomen in het contract met de ouders
- Maximale groepsgrootte en leidster-kind-ratio (niet verhogen)
- Metrage (ook van buitenruimten)
- De werkgever draagt zorg voor taakuren voor groepsleiding ten behoeve van oudercontacten, overleg, bijscholing en reflexie
- Er is frequente pedagogische begeleiding aan groepsleiding op de werkvloer
- Opleiding van groepsleiding op minimaal MBO-niveau in een pedagogische richting, of een andere richting maar dan met een pedagogische bijscholing
- Experimenten: in de AMvB experimenten wordt vastgelegd waarop experimenten worden geevalueerd (pedagogische effecten)
Wij vragen u dringend om bovenstaande mee te nemen in uw bespreking van de WBK en het Voorontwerp AMvB. Voor uitgebreidere informatie verwijzen wij u naar de bijlagen.
Hoogachtend,
Kok van der Meer
voorzitter
tel. 070-3560904
email: pedagogenplatform@zonnet.nl