Tekstballon

Willen we een landelijk curriculum voor de kinderopvang?

Auteur: Kok van der Meer, pedagoog bij kinderopvang Dak in Den Haag  en lid van het landelijk pedagogenplatform kinderopvang.
Gepubliceerd in het Tijdschrift Management Kinderopvang van november 2005.

‘We ontkomen er niet meer aan dat er een curriculum moet komen voor de kinderopvang’, zei Elly Singer op het pedagogencongres in oktober 2004. Is dat zo?, vragen de pedagogen van het LPK zich af. Een antwoord laat zich niet snel formuleren. Wel de vragen die tot een antwoord kunnen leiden.

In januari 2005 kopt het blad Management Kinderopvang: ‘Kinderopvang wil meer invloed op het primaire proces’. In februari 2005 lezen we: ‘De tijd dat leidsters zelf kunnen bepalen hoe zij hun dag vullen, is voorbij.’ Misschien had daar moeten staan: ‘De tijd dat leidsters alles zelf moeten bedenken en ontwikkelen, is voorbij’. In oktober 2004 sloot Elly Singer haar inleiding op het pedagogencongres af met de conclusie: ‘We ontkomen er niet meer aan dat er een curriculum moet komen voor de kinderopvang.’

Betekent de ontwikkeling van een programma dat groepsleiding geen vrijheid en eigen initiatieven meer wordt gegund? Of betekent het tegemoetkomen aan de behoefte van groepsleiding aan een leiddraad, dat we hun pedagogisch handelen concreet voor moeten schrijven? Het is het opvallend dat bij het invoeren van stimuleringsprogramma’s als Caleidoscoop en Piramide de groepsleiding de concrete instructies en de programma’s dikwijls als een verrijking ervaart. Laten we wel wezen, de groep waar vooral met duplo wordt gespeeld, waar elke ochtend weer diezelfde puzzels op tafel liggen en waar de kinderen een kleurplaat krijgen als de groepsleiding ze even rustig wil krijgen… zo’n groep is toch niemands ideaal?

Een van de pedagogen van het platform mailde mij tijdens het schrijven van dit artikel: ‘Het dilemma wordt de spagaat tussen enerzijds “voorschrijven” en anderzijds “de groepsleiding de ruimte geven om eigen initiatieven te volgen”.’ Dat is het eerste dilemma. Het tweede dilemma is de spagaat tussen enerzijds de verwachting dat groepsleiding werkt aan pedagogische doelen en competenties en anderzijds dat we ze zelf laten uitzoeken hoe ze dat moeten aanpakken.

Herkenbaar stramien

Eigenlijk ligt er in de Nederlandse kinderopvang al veel vast zónder dat we het gevoel hebben dat het ons is opgelegd. De kinderopvang werkt al heel lang volgens een vast en herkenbaar stramien. Bijvoorbeeld het denken in ‘groep, groepsleiding, omgeving en organisatie’ en het werken volgens een min of meer vaste dagindeling met vrij spel, dagelijkse (verzorgings)activiteiten en een activiteitenaanbod. Ook over inrichting zijn we het in grote lijnen eens. Er moeten hoeken zijn: een poppenhoek en een bouwhoek, soms een huishoek, een creatieve hoek of atelier, een snoezelhoek, een boekenhoek.

Volgens de beleidsregels werken we aan emotionele veiligheid, competenties, normen & waarden. Voor wat betreft de inhoud van die competenties zijn we niet blanco. Er zijn maar weinig mensen die het weten, maar het Netwerk voor Kinderopvang van de Europese Commissie heeft in 1995 kwaliteitsdoelstellingen voor kinderopvang geformuleerd die zeggen dat de ‘educatieve en opvoedingsfilosofie’ onder meer het volgende moet omvatten en bevorderen:

  • de autonomie en het zelfbeeld van het kind;
  • enthousiasme voor het leren;
  • linguïstische en verbale vaardigheden met inbegrip van linguïstische diversiteit;
  • begrip van rekenkunde, biologie, wetenschap, techniek en omgeving;
  • muzikale expressie en esthetische vaardigheden;
  • spiercoördinatie en lichaamsbeheersing;
  • gezonde en hygiënische voeding;
  • bewustzijn van de lokale gemeenschap.

Natuurlijk moeten deze doelstellingen vertaald worden naar het niveau van jonge kinderen. Wie is ertegen dat kinderen in deze gebieden worden ingewijd? En als we dit allemaal accepteren, ligt het dan niet voor de hand om groepsleiding ook handreikingen te bieden voor de manier waarop?

Geen schooltje

Een van de pedagogen uit onze achterban meldde: ‘Wij zijn bezig met het beschrijven van een model voor het samenstellen van het basisprogramma. We willen dit uitbreiden met modules waarin thema-gewijs verschillende keuzes worden uitgewerkt: bijvoorbeeld het thema ‘dagindeling’ met daarin een aantal voorbeelden van dagindelingen, en het thema ‘activiteiten’, met daarin inspirerende voorbeelden van activiteiten. Zo kan een basisprogramma worden geformuleerd.’ Is dit de manier om te komen tot een programma of curriculum? Het ontwikkelen van een kader dat door instellingen of groepsleiding kan worden ingevuld, met gebruikmaking van een database van invulmogelijkheden?
We willen natuurlijk geen schooltje worden, maar de specifieke pedagogische gerichtheid van de kinderopvang behouden. Zou dan bij het opstellen van een programma niet ook het pedagogische proces de nodige aandacht moeten krijgen? John Bennett* noemt in dit verband: experimenterend leren, een speelgerichte programmering, interactie en betrokkenheid van volwassenen, centrum- en groepsmanagement, rijke leeromgeving en een thematische of projectmethodologie. Volgens Bennett impliceert een goed programma dat kinderen initiatieven nemen en betrokken zijn en worden. Dat past uitstekend bij de Nederlandse opvatting dat kinderen competente wezens zijn die met hun behoeften, ontwikkelingsniveau en belangstelling uitgangspunt vormen voor het handelen van groepsleiding.
Misschien willen we zelfs ook denken in termen van opvoedingsdoelen en kunnen we daarmee dan eindelijk de wat al te dichtbije doelen van ‘welbevinden’ overstijgen. Bijvoorbeeld het doel: het opvoeden tot solidaire en autonome, verantwoordelijke burgers, die in staat zijn een positieve bijdrage te leveren aan onze diverse en democratische samenleving. Komt een dergelijke formulering tegemoet aan wat de MOgroep in haar visiedocument bedoelt met de term duurzame kinderopvang?

Nationaal curriculum

Als het bovenstaande pleit voor programmaontwikkeling, voor een curriculum, dan is de volgende vraag of je een dergelijke programmaontwikkeling gezamenlijk moet doen. Liesbeth Schreuder stelt in Management Kinderopvang van maart dat ‘collectief’ beter gaat dan ‘ieder voor zich’. Is dat zo? Wellicht vergroot een landelijke ontwikkeling de mogelijkheden om gebruik te maken van elkaars kennis en kunde en van wat wetenschappers te bieden hebben. Of misschien zorgt ‘ieder voor zich’ juist voor een gewenste diversiteit van programma’s en werkt concurrentie in dit opzicht kwaliteitsverhogend.
In een praatstuk over een nationaal curriculum verwoordt Elly Singer het zo: ‘Het zou geen bureaucratisch curriculum moeten worden, maar moeten uitdagen tot creativiteit, verdere ontwikkelingen en diversiteit op lokaal niveau. Het zou moeten voortbouwen op wat al in ons land en in het buitenland is ontwikkeld, het zou verbindingen moeten maken met bestaande trainingen en methodieken, het zou handelingsgericht moeten zijn, algemene kaders moeten geven voor het vertalen van algemeen geaccepteerde pedagogische uitgangspunten en doelen naar het dagelijkse handelen.’ Zou zo’n curriculum de kwaliteit van wat we kinderen in kindercentra bieden verhogen?
In dit artikel heb ik meer vragen opgeroepen dan antwoorden gegeven. Dat was ook mijn bedoeling. We weten nog niet waar we naartoe willen. Mijn vragen dragen hopelijk bij aan een zinvolle discussie over de vraag: willen we een landelijk curriculum voor de kinderopvang?

*) John Bennett. In: Unesco Policy Briefs on Early Childhood sept. 2004.