Tekstballon

Wetenschappelijk onderzoek wordt vaak genegeerd

Auteurs: Mireille Aarts (beleidsmedewerker bij KION en promovendus Radboud Universiteit Nijmegen) en Wilmie Colbers (ontwikkelaar bij Catalpa Kinderopvang en promovendus Radboud Universiteit Nijmegen). Beiden zijn lid van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang.

De relatie tussen kinderopvang en wetenschap is beladen en complex. De discussie laait soms hoog op. Wetenschappers die beweren dat de kwaliteit van kinderopvang daalt, worden door de mensen uit het werkveld afgestraft met het predikaat ‘slechte wetenschapper’. Kunnen beide bij elkaar komen?

Plotseling lijkt iedereen binnen de kinderopvang iets af te weten van wetenschap. De wetenschap zou kinderopvang op de verkeerde manier onderzoeken of nog erger: de verkeerde onderwerpen onderzoeken. Het landelijk pedagogenplatform kinderopvang volgde de afgelopen maanden met veel interesse de discussie in het land naar aanleiding van de publicaties van de NCKO en het onderzoek van Bureau Bartels dat daarop volgde. Van een afstand bekeken wordt in deze discussie de vraag ‘Wat is goede kinderopvang?’ vervangen door ‘Wat is goede wetenschap?’ Bij de eerste vraag kunnen vele partijen bevraagd worden om een compleet beeld te krijgen. Bij de vraag naar goede wetenschap ligt dat ingewikkelder. 

Signalen van het kind

Wetenschap – vinden wetenschappers – dient om op basis van empirische gegevens theorie te ontwikkelen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert. Onder gecontroleerde omstandigheden worden gegevens verzameld, waaruit vervolgens conclusies getrokken kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is de hechtingstheorie. De psychiater Bowlby registreerde eind jaren zestig vorige eeuw hoe kinderen zich gedroegen in aanwezigheid en daarna in afwezigheid van hun moeder. Hij concludeerdedaaruit dat een sensitieve houding van de moeder voor signalen van het kind voorwaarde is voor een veilige hechting en dat de hechtingskwaliteit een voorspellende waarde heeft voor de emotionele ontwikkeling.

Bowlby is in het verleden heftig bekritiseerd vanwege zijn excusieve voorkeur voor de moeder, maar nu, bijna veertig jaar later is het een onomstreden feit dat ieder kind recht heeft om opgevoed te worden door volwassenen met een sensitieve houding, zowel thuis als in de kinderopvang. In het eerste van de vier door Prof. Riksen-Walraven geformuleerde opvoedingsdoelen valt dit onder de noemer ‘emotionele veiligheid’. De wetenschap heeft dus soms een duidelijk aanwijsbare invloed op de praktijk van de kinderopvang.

De laatste jaren wordt veel aandacht besteed aan onderzoek naar de kwaliteit van kinderopvang. Inmiddels is bekend dat kinderen die kinderopvang van goede kwaliteit krijgen zich op een positieve manier kunnen ontwikkelen.

Maar de lappendeken van kennis vanuit de wetenschap over kinderopvang kent nog vele gaten. Wat precies bedoeld wordt als over goede kwaliteit van kinderopvang gesproken wordt, dient verder onderzocht en gedefi nieerd te worden. Het is nog maar deels bekend welke invloeden binnen een kinderdagverblijf, in de buitenschoolse opvang of bij een gastouder doorwerken op de ontwikkeling van kinderen. De wetenschap heeft tot taak deze lacunes op te vullen.

Verantwoordelijkheid

In de huidige situatie is er een verdeling van verantwoordelijkheid tussen de overheid en de branche als het gaat om het financieren en dus van het bepalen van de onderwerpen van wetenschappelijk onderzoek. Gelukkig wordt er binnen de branche steeds meer waarde gehecht aan het funderen van de werkwijze door het (laten) doen van wetenschappelijk onderzoek. SKON en Korein namen initiatief om Video Interactie Begeleiding te onderzoeken. KION en Catalpa Kinderopvang geven medewerkers de ruimte om promotie-onderzoek te doen. De overheid is verantwoordelijk voor het initiëren van onderzoek naar effecten van kinderopvang op langere termijn. Zij moet ook de praktijk betrekken bij het vaststellen van de aspecten die vragen om nader onderzoek. Een van de onderwerpen die hoog op die lijst zou moeten staan is de buitenschoolse opvang. Deze vorm van kinderopvang maakt momenteel zo’n sterke groei door, dat de vraag gesteld moet worden hoe de kwaliteit zich daarbij ontwikkelt.

Serieus

Als de wetenschap met resultaten komt, moet het werkveld deze wel serieus nemen. Soms gebeurt dit ook. Toen prof. Riksen-Walraven op de risico’s van baby-opvang wees, zette het NIZW een training ‘werken met baby’s’ op. Inmiddels hebben veel kinderdagverblijven afzonderlijk babybeleid ontwikkeld. Het NCKO concludeerde dat het aanbod wat betreft uitdaging op de kinderdagverblijven mager is. Op veel kindercentra wordt hard gewerkt om bijvoorbeeld met behulp van open-deurenbeleid of drie-plusgroepjes het aanbod meer uitdagend te laten zijn.

Maar vaak lijken resultaten van onderzoek genegeerd te worden. Resultaten van recent Nederlands onderzoek leidt tot weinig discussie in de praktijk, laat staan tot aanpassing van deze praktijk. Ondanks dat wetenschappers soms inspanningen leveren om aanbevelingen uit het onderzoek te vertalen in brochures, artikelen, werkmethoden en trainingsmethoden. Naar aanleiding bijvoorbeeld van onderzoek van Clasien de Schipper (2003) over effecten van flexibele opvang verschenen brochures over temperament van kinderen. De vraag is of deze in de praktijk gebruikt worden.

Verhoogd risico

Naar aanleiding van het promotie-onderzoek van Mirjam Gevers Deynoot – Schaub (2006) over de ervaringen en gedragingen van jonge kinderen in kinderdagverblijven, verschenen artikelen in een aantal vaktijdschriften. Zij omschreef de resultaten met duidelijke punten van aandacht voor de praktijk.

De indruk bestaat dat praktijkpedagogen deze aanbevelingen links laten liggen. Twee voorbeelden van resultaten en daarna een aanbeveling:

  • Allereerst vond zij in haar onderzoek dat 42 procent van de kinderen van 15 maanden oud onvoldoende emotioneel ondersteund wordt door de leidster in het kinderdagverblijf;

  • Als tweede constateerde zij dat peuters die van hun ouders thuis kwalitatief minder goede zorg ontvangen een verhoogd risico lopen om ook minder goede zorg van hun leidster in het kinderdagverblijf te ontvangen. Er leek hierbij sprake te zijn van een ‘socialisatie-effect’ waarbij kinderen gedrag dat zij geleerd hebben in de interactie met hun ouders ‘meenemen’ naar de kinderopvangsituatie en daarmee gelijksoortig gedrag uitlokken bij hun leidsters. Deze kinderen lopen hierdoor het risico in een negatieve spiraal terecht te komen.

De aanbeveling is leidsters meer te begeleiden, te ondersteunen en eventueel extra training aan te bieden, waarbij meer aandacht voor het verbeteren van hun interactievaardigheden met heel jonge kinderen in een groepssituatie gegeven wordt.

De reden waarom praktijkpedagogen bevindingen en aanbevelingen uit onderzoek naast zich neer lijken te leggen is onbekend. Vindt men de onderwerpen en resultaten onvoldoende relevant? Zijn ze druk met het invoeren van allerlei kwaliteitssystemen of vergaderen? Of zijn er andere redenen waarom praktijkpedagogen zich weinig gelegen laten liggen aan de gepubliceerde onderzoeken?

Een kloof of een zekere spanning tussen wetenschap en kinderopvang is aanwezig. Voor het verbeteren van de relatie tussen beide partijen is het leren begrijpen van elkaars vak en elkaars taal aan te bevelen. Onderlinge belangstelling van branche naar wetenschap en van wetenschap naar branche is een voorwaarde voor een gezonde ontwikkeling van beide in de toekomst.