Tekstballon

Wel of geen stimulerings- programma's in kinderdagverblijven?

Auteur: Loes Kleerekoper, staffunctionaris pedagogisch beleid bij Samenwerkende Kinderdagverblijven Noord (SKN) en lid van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang.
Gepubliceerd in Management Kinderopvang van juni 2004
.

Stimuleringsprogramma's: zijn ze wel geschikt voor de kinderopvang? Het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang kwam tot de conclusie dat stimuleringsprogramma's een uitwerking kunnen zijn van het eigen beleid. Ook als dat niet gericht is op achterstandskinderen. Mits het programma goed aansluit bij de pedagogische visie.

Baby's en peuters die om de haverklap worden getoetst? Ouders die ongemerkt meedoen aan een traject voor achterstandsbestrijding? Leidsters die op een schoolse manier omgaan met de hen toevertrouwde kinderen? Met deze beelden in het achterhoofd is de keuze snel gemaakt: geen stimuleringsprogramma in mijn kinderdagverblijven. De werkelijkheid is, zoals zo vaak, genuanceerder.
Stimuleringsprogramma's in het kader van voor- en vroegschoolse educatie (VVE) beogen het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden bij jonge kinderen. De meest toegepaste programma's zijn Kaleidoscoop (NIZW), Piramide (CITO) en Startblokken (APS). In eerste instantie zijn zij ontwikkeld voor kinderen van drie tot zeven jaar. In veel gemeenten worden deze programma's ingezet op scholen in achterstandsgebieden. Voor de driejarigen wordt veelal een peutergroep in de school gestart, de zogenaamde voorschool. Of er wordt nauw samengewerkt met een nabijgelegen peuterspeelzaal.
Stimuleringsprogramma's vertonen onderling zowel overeenkomsten als verschillen. Voor alle programma's geldt dat er een stevig trainingstraject aan is verbonden. De deelnemende instellingen moeten bereid zijn om hun inrichting, werkwijze en soms organisatie aan te passen. Ook voor alle programma's geldt dat de instelling rekening moet houden met kosten voor de trainingen en voor extra uren van leidsters en werkbegeleiders.
Verschillen tussen de programma's liggen in de eerste plaats op inhoudelijk gebied. Er zijn verschillen in bijvoorbeeld de frequentie van observaties en de gedetailleerdheid ervan. Ook verschilt de mate waarin het handelen van de leidster wordt voorgeschreven.
Stimuleringsprogramma's bevatten veelal waardevolle onderdelen, zoals reflectie van leidsters op het effect van het eigen handelen. Ook leren leidsters in concrete situaties aansluiten bij de behoeften van kinderen. Ze leren systematischer te werken, wat niet automatisch betekent schools werken. Het programma en de gerichte training kunnen leidsters houvast geven en zorgen voor een verdieping van hun handelen. Het is voor leidsters in kinderdagverblijven moeilijk om altijd een gevarieerd en doordacht aanbod aan de kinderen te bedenken. De stimuleringsprogramma's geven hen daarvoor extra instrumenten in handen. Of het nu kinderen in achterstandssituaties betreft of niet.

Aansluiting bij beleid

Kinderopvangorganisaties die overwegen om een stimuleringsprogramma in te voeren, moeten zich in de eerste plaats afvragen of dit past binnen de pedagogische doelstellingen van het kinderdagverblijf. Een goed kinderdagverblijf biedt veel ontwikkelingsstimulansen, zonder aparte stimuleringsprogramma's en zonder dat dit expliciet benoemd wordt als achterstandsbestrijding. Ook voor kinderen uit achterstandssituaties.
Maar een stimuleringsprogramma kan een geschikte uitwerking vormen van onderdelen van de pedagogische visie van de organisatie. Hieronder enkele voorbeelden van hoe (pedagogisch) beleid en stimuleringsprogramma's op elkaar kunnen aansluiten.

Stimuleren van zelfstandigheid

Door middel van het inrichten van duidelijke hoeken en het aanbrengen van pictogrammen op spelmateriaal geven sommige programma's de kinderen extra mogelijkheden voor het zelfstandig bezig zijn.

Voorspelbaarheid als middel om het gevoel van veiligheid te bevorderen

De meeste programma's bieden houvast aan kinderen (en leidsters) door een duidelijk (dag)programma met een min of meer vaste volgorde.

Materiaal en inrichting zijn afgestemd op de (ontwikkelings)behoeften van de kinderen

Het ene programma is wat meer gedetailleerd dan het andere, maar alle stimuleringsprogramma's besteden veel aandacht aan inrichting en materiaalkeuze. Het bieden van een rijke leeromgeving met uitdagende materialen in een doordachte omgeving staat ook centraal in trainingen en aansluitende werkbegeleiding.

Stimuleren van de sociale ontwikkeling

In meerdere of mindere mate is in stimuleringsprogramma's aandacht voor het spelen in kleine groepjes en de onderlinge communicatie tussen de kinderen.

Observatie/rapportage worden ingezet ten behoeve van het pedagogisch handelen

Alle programma's kennen een systeem van observatie en registratie. Er zijn vrij grote onderlinge verschillen.

Samenwerking met ouders

Elk van de programma's hecht veel waarde aan samenwerking met ouders op pedagogisch gebied. Er is een grote variatie in uitwerking van inhoud en vorm van het oudergedeelte bij de diverse programma's.

Inspelen op behoeftes uit de samenleving, samenwerking met anderen

Door mee te werken in buurtverbanden met bijvoorbeeld basisscholen en peuterspeelzalen in combinatie met het invoeren van een stimuleringsprogramma, kunnen kinderdagverblijven bijdragen aan het verminderen van onderwijsachterstanden en het bieden van een geïntegreerde aanpak.

Ja of nee

Naast kansen en mogelijkheden zijn er ook risico's en bezwaren verbonden aan het invoeren van een stimuleringsprogramma in kinderdagverblijven. Zo is het voorschoolse gedeelte van de meeste programma's in eerste instantie bedoeld voor bezoekertjes van peuterspeelzalen en niet voor kinderdagverblijven. Doordat de kinderen meestal hele dagen in het kinderdagverblijf verblijven is het dagritme er anders dan bij peuterspeelzalen. Kinderdagverblijven worden bovendien ook bezocht door baby's en dreumesen. Een enkel programma heeft een apart traject met aangepaste materialen voor kinderdagverblijven. Het is van belang om na te gaan of een programma ook aangepast kan worden aan het kinderdagverblijf, bijvoorbeeld voor wat betreft de observatie en registratie en het werken met verticale groepen.
Een risico van een stimuleringsprogramma is dat leidsters er zich te veel aan vast gaan houden. Hierdoor verliezen zij hun spontaniteit en spelen ze minder direct in op de behoeften van de kinderen. Dit geldt vooral als een programma te haastig wordt ingevoerd of als er onvoldoende ondersteuning is vanuit de organisatie zelf. De programma's verschillen in de ruimte die er is voor improvisatie.
Veel kinderdagverblijforganisaties zien de associatie met achterstandskinderen als ongewenste beeldvorming. Ze willen inspelen op de wensen van ouders en die verwachten in de eerste plaats een goed kinderdagverblijf. Kinderdagverblijven kennen minder dan peuterspeelzalen de doelstelling om kinderen op school voor te bereiden. Kinderdagverblijven die overwegen een dergelijk programma in te voeren, kunnen dit tegenover de ouders motiveren als een uitwerking van hun eigen (pedagogisch) beleid. Dit kan veel overleg en uitleg vereisen.
Invoering en uitvoering van een stimuleringsprogramma is duur. Dat zit in de kosten van het scholingstraject, de vervanging van de leidsters die afwezig zijn voor scholing en overleg, voorbereiding en uitwerking van programmaonderdelen. Het vereist zowel tijdens de invoering als daarna veel inzet van leidsters en anderen binnen de organisatie. Vaak wordt een deel van het traject gefinancierd uit VVE-gelden. Maar alleen het beschikbaar zijn van deze VVE-gelden zou geen doorslaggevend argument moeten zijn om al dan niet over te gaan tot invoering van een stimuleringsprogramma. Het is belangrijk om van tevoren een goed inzicht te hebben in de tijdelijke en de blijvende kosten, zodat een afweging kan worden gemaakt tussen kosten en baten.

Samenvattend: stimuleringsprogramma's kúnnen nuttig zijn bij het vergroten van de pedagogische kwaliteit. Leidsters krijgen daarmee extra instrumenten in handen voor het verzorgen van een gevarieerd aanbod aan de kinderen. Een stimuleringsprogramma moet in de eerste plaats aansluiten bij de eigen doelstellingen, met name bij de eigen pedagogische visie. Dat moet een argument zijn om het al dan niet in te voeren binnen een organisatie voor kinderopvang. Daarnaast spelen uiteraard organisatorische en financiële aspecten een rol.