Plezier voor kinderen staat voorop
Jaarcongres pedagogen spreekt zich uit over curriculum kinderopvang
Auteur: Ans Vermeulen, beleidsmedewerker/kwaliteitsfunctionaris bij Koepel Kinderopvang Wageningen en lid van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang. Gepubliceerd in het Tijdschrift Management Kinderopvang van januari 2005.
Terwijl de kinderopvang momenteel dagelijks het nieuws haalt met onderzoeken als die van het NCKO en de Nederlandse Gezinsraad, zetten politici ons op scherp zetten met hun vergaande plannen voor de BSO en leggen GGD-inspecteurs overal in het land de strenge vingers op zere plekken.
In die hectiek kwamen op 5 oktober jl. in Utrecht zo’n 100 pedagogen uit de kinderopvang bij elkaar tijdens het derde jaarcongres van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang. Zij namen de tijd om te praten over een mogelijk nationaal curriculum voor de kinderopvang in Nederland.
Elly Singer is tijdens het congres van het pedagogenplatform in 2004 de aangever geweest. Zij riep toen in haar lezing op om te komen tot een landelijk curriculum voor de kinderopvang. Haar idee was ingegeven door de algemeen gevoelde behoefte aan een gemeenschappelijk kader en een gemeenschappelijke taal voor de pedagogiek in de Nederlandse kinderopvang. Dit curriculum zou gebaseerd moeten worden op wat er al was en aangevuld moeten worden met wat er nog niet was.
Het pedagogenplatform is van mening dat een curriculum voor de kinderopvang gewenst is. Hoewel de term soms weerstand oproept vanwege de associatie met onderwijsleerplannen, schools leren en eindtermen is het wel een internationale term die uitwisseling van kennis tussen landen makkelijker maakt. Het gaat om een specifieke pedagogiek voor de kinderopvang waarbij minimaal gemeenschappelijke visie, doelen en uitgangspunten geformuleerd zijn. Deze kunnen vervolgens vertaald worden naar meer of minder concrete niveaus van pedagogisch handelen.
Het lag voor de hand om over de inhoud daarvan verder te praten tijdens het eerstvolgende jaarcongres voor pedagogen in de kinderopvang. Daarbij is de aandacht in eerste instantie gericht op de leeftijdscategorie van 0-4 jaar.
Tijdens het congres hebben Janneke Plantenga en Marianne Riksen-Walraven de deelnemers voorzien van een gedegen theoretische bodem. De lezing van Janneke Plantenga over kinderopvang als basisvoorziening was een interessante opwarmer. Kinderopvang in Nederland wordt vooral gezien als een arbeidsmarktinstrument. Plantenga pleitte voor een verbreding van deze visie. Want kinderopvang is ook een waardevolle voorziening voor kinderen, gericht op ontwikkeling, plezier, spel en sociale integratie. Dat vraagt om een basisvoorziening die breed toegankelijk is voor alle kinderen, met een kwaliteit die goed is voor alle kinderen. En daar gaat het curriculum over.
Marianne Riksen-Walraven, grondlegger van de vier wettelijke pedagogische basisdoelen, wees het congres erop dat het de hoogste tijd is voor kwaliteit, zeker gezien de laatste onderzoeksresultaten. Haar basisdoelen - veiligheid, persoonlijke - en sociale competentie en culturele overdracht - zijn gebaseerd op de ontwikkelingstaken van kinderen van 0-4 jaar. Je kunt ze zien als een pedagogische schijf van vijf (in dit geval vier) die kan dienen als basis voor het curriculum.
Beide lezingen sloten goed op elkaar aan. De relatie tussen de pedagogische waarde en de maatschappelijke functie van kinderopvang kwam hierdoor duidelijk naar voren. De pedagogische waarde is mede bepalend voor de plaats van kinderopvang in de samenleving. En hoe meer belang de samenleving hecht aan die pedagogische waarde, hoe groter de verantwoordelijkheid om te zorgen dat die pedagogische kwaliteit hoog is. Een nationaal curriculum is een middel bij uitstek om die pedagogische kwaliteit te borgen. Naarmate kinderopvang meer gezien wordt als een instituut dat van groot belang is voor kinderen en voor de maatschappij, heeft ook de overheid een grotere verantwoordelijkheid hierin.
Tineke Linssen en Loes Kleerekoper van het pedagogenplatform presenteerden tijdens het congres een inspirerende en informatieve impressie van curricula uit andere landen, zoals Zweden, Berlijn, Nieuw Zeeland en Finland. Verschillen en overeenkomsten passeerden de revue. De belangrijkste overeenkomsten:
- de holistische visie op ontwikkeling van jonge kinderen
- spel en plezier staan centraal
- kinderen mogen kind zijn
- de invloed van kinderen zelf
- diversiteit en ‘including’
- het belang van de omgeving
- de samenwerking met ouders
- en het belang van competente beroepsopvoeders.
De Te Whariki (geweven mat) uit Nieuw Zeeland spreekt tot de verbeelding: een curriculum als een door vele handen geweven tapijt, vanuit meerdere perspectieven, culturen en principes. De Te Whariki hecht belang aan empowerment van kinderen, de gemeenschapsband en het uitgangspunt dat kinderen leren door responsieve en wederkerige relaties.
In de buitenlandse voorbeelden spreken ook de termen ‘toevoegen’ en ‘bijdragen’ aan. De kinderopvang kan iets toevoegen aan het leven van kinderen en bijdragen aan hun ontwikkeling en welzijn. Dit versterkt de positie van de kinderopvang. Het is ook duidelijk dat een curriculum een belangrijke functie heeft als referentiekader bij opleiding en bijscholing en bij functioneringsgesprekken en dergelijke.
Congresdeelnemers hebben vervolgens gesproken over gemeenschappelijke uitgangspunten en de onderwerpen die zeker in een curriculum opgenomen moeten worden. Uitgangspunten zouden o.a. moeten zijn
- dat plezier voor kinderen voorop staat,
- dat er respect is voor kinderen en hun keuzes,
- dat de kinderopvang bijdraagt aan maatschappelijke ontwikkeling,
- dat kinderopvang uitgaat van eigen behoeften, mogelijkheden en kracht van kinderen, ouders en groepsleiding.
De positie van en de opdracht voor de kinderopvang dient vastgelegd te worden; daarvoor kan een basis worden gevonden in:
- het visiedocument van de MO-groep (De kracht en de kaders van de kinderopvang, 2004)
- de Internationale rechten van het kind
- de doelstellingen van het Netwerk Kinderopvang van de Europese Commissie uit 1995
- en de vier pedagogische basisdoelen uit de Wet kinderopvang.
Een visie op spel, kinderlijke ontwikkeling, ontwikkelingsstimulering en het bieden van optimale ontwikkelingskansen en op opvoedingsondersteuning dient ook deel uit te maken van het curriculum.
Er moet tenslotte voldoende aandacht zijn voor leeftijdsdifferentiatie, voor opvoeden tot een democratische houding, voor diversiteit op basis van gelijkwaardigheid en voor het centraal stellen van interacties (kind-kind, kind-groepsleiding en groepsleiding-ouders) in de kinderopvang.
Over het geheel genomen staan de congresdeelnemers positief ten opzichte van een curriculum. Men vindt dat een curriculum niet moet leiden tot nog meer regels. Het curriculum zou wel kunnen zorgen voor een goede balans tussen pedagogiek enerzijds en veiligheid en gezondheid anderzijds.
De verwachting van het platform dat we alleen maar hoefden te ‘bundelen wat er al is’ klopt. Het was opvallend te zien hoe snel en bijna vanzelfsprekendheid er globale overeenstemming kwam over de onderwerpen waarover in het curriculum gemeenschappelijke uitspraken gedaan moeten worden.
Het congres ademde een sfeer van gedrevenheid, enthousiasme en grote betrokkenheid. Het heeft bouwstenen opgeleverd voor invulling van het curriculum.
En het was een vruchtbare dag. Voorzitter Kok van der Meer kon het congres afronden met de mededeling dat in elk geval met de initiatiefgroep van directeuren in de kinderopvang op korte termijn verder gesproken zal worden over het curriculum.
Het is duidelijk dat iedereen graag wil dat het er komt. Het is ook duidelijk welke onderwerpen iedereen belangrijk vindt. Om in de terminologie van Marianne Riksen-Walraven te spreken: onze volgende ‘ontwikkelingstaak’ als Kinderopvang-Nederland is om te starten met de uitvoering. Er moet gepraat en geschreven en geschrapt en geschaafd worden. En er moet een zorgvuldige implementatie komen, zowel in wet- en regelgeving als in de pedagogische praktijk van de kinderopvang. Er is nog veel werk te doen.