Leidster/kind-ratio en groepsgrootte
Auteur: Wilmie Colbers, lid van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang.
Publicatie oktober 2005.
In de beleidsregels kwaliteit kinderopvang zijn onderstaande regels opgenomen betreffende groepsgrootte en regels betreffende de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijk aanwezige kinderen, kortom het leidster/kind-ratio.
Artikel 3. Dagopvang
- Bij de dagopvang vindt de opvang plaats in stamgroepen, met dien verstande dat in een groep:
- in de leeftijd tot één jaar gelijktijdig ten hoogste twaalf kinderen aanwezig zijn;
- in de leeftijd tot en met drie jaar gelijktijdig ten hoogste zestien knderen aanwezig zijn, waaronder ten hoogste acht kinderen in de leeftijd tot één jaar.
- Bij dagopvang bedraagt de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijke aanwezige kinderen ten minste:
- één beroepskracht per vier kinderen in de leeftijd tot één jaar;
- één beroepskracht per vijf kinderen in de leeftijd van één tot twee jaar;
- één beroepskracht per zes kinderen in de leeftijd van twee tot drie jaar;
- één beroepskracht per acht kinderen in de leeftijd van drie tot vier jaar.
- Het aantal beroepskrachten, bedoeld in het tweede lid, bij een gemengde leeftijdsgroep wordt bepaald aan de hand van het rekenkundig gemiddelde van de voor de aanwezige leeftijdscategorieën geldende maximale aantallen kinderen, waarbij naar boven kan worden afgerond.
- Indien kinderen bij (spel)activiteiten de stamgroep verlaten, is het eerste lid niet van toepassing.
Artikel 4. Buitenschoolse opvang
- Bij buitenschoolse opvang vindt de opvang plaats in stamgroepen, met dien verstande dat een groep uit ten hoogste twintig kinderen bestaat in de leeftijd van vier jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt.
- In afwijking van het eerste lid kan een stamgroep, voor kinderen in de leeftijd van acht jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt, bestaan uit ten hoogste dertig kinderen.
- Bij buitenschoolse opvang bedraagt de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijk aanwezige aantal kinderen ten minste één beroepskracht per tien kinderen.
- Bij buitenschoolse opvang voor kinderen van acht jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt in de stamgroep met ten hoogste dertig kinderen, bedraagt de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijk aantal aanwezige kinderen, in afwijking van het derde lid, ten minste 2 beroepskrachten, waarbij de beroepskrachten bij hun werkzaamheden ondersteund worden door een andere volwassene.
- Indien kinderen bij (spel)activiteiten de stamgroep verlaten, is het eerste of tweede lid niet van toepassing.
Het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang formuleert de volgende adviezen:
1 - De verhouding tussen beroepskrachten en kinderen (het leidster/kind-ratio) biedt voor kinderen tot één jaar geen basisgarantie voor pedagogische kwaliteit. Derhalve dient een organisatie zorg te dragen voor een ratio waarbij baby’s niet de dupe worden.
Uit onderzoek van Gevers Deynoot-Schaub (2002) blijkt er een significant verband te bestaan tussen het aantal kinderen per leidster in een kinderdagverblijf en de score op de schaal sociale interactie. Dus hoe minder kinderen per leidster, des te beter de sociale interactie. De kwaliteit van de sociale interactie speelt een belangrijke rol bij het voorkomen van stress door overprikkeling bij baby’s (Riksen-Walraven, 2002).
Werken met 12 baby’s of bv. met 8 baby’s en 8 peuters op een groep levert risico’s op voor met name de baby’s. Het mag niet mogelijk zijn dat er vanuit bezettingmotieven 12 baby´s op een groep worden geplaatst omdat er te weinig peuters in de peutergroep zijn. Of dat er een combinatie gemaakt wordt van een peutergroep met acht kinderen en een babygroep met acht kinderen (in totaal 16 kinderen) met 3 leidsters zonder dat hieraan een goed onderzochte pedagogische methode van handelen ten grondslag ligt. De behoeften die kinderen individueel hebben dienen uitgangspunt te zijn voor beslissingen die gaan over leidster-kindratio en groepsgrootte.
2. Het pedagogenplatform adviseert de komende jaren de leidster/kind-ratio onderwerp van gedegen onderzoek te laten zijn.
Wat zijn de effecten van het aantal kinderen die een leidster onder haar hoede heeft op sociale interactie of op het stressniveau van kinderen?
Waarbij een aantal factoren van invloed kunnen zijn:
- leeftijd van de kinderen;
- opleiding van leidsters;
- langdurige samenwerking;
- open deuren beleid;
- pedagogisch beleid;
- pedagogische visie;
- andere taakverdeling tussen leidsters - management (organisatorische taken wegnemen);
- andere taakverdeling tussen leidsters - huishoudelijk personeel (huishoudelijke taken wegnemen);
- programmastructuur;
- groepssamenstelling;
- groepsstabiliteit;
- inrichting van de ruimte.
Het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang wijst organisaties en ouders op risico’s die de in de beleidsregels vastgestelde leidster/kind-ratio´s met zich meebrengen. Met name baby’s lopen risico als hier niet zorgvuldig mee omgegaan wordt.