Tekstballon

Kinderspeelcentrum: krachtenbundeling van nul tot vier jaar

Auteur: Ans Christiaens, adviseur bij K2, Brabants kenniscentrum jeugd en lid van het landelijk pedagogenplatform kinderopvang.
Gepubliceerd in het Tijdschrift Management Kinderopvang van juni 2006.

Kinderen van nul tot vier jaar die naar een organisatie gaan waar verschillende arrangementen mogelijk zijn, waar ze zowel hele dagen worden opgevangen als enkele dagdelen per week spelen. Is dit een nieuwe ontwikkeling?

In een advies van de onderwijsraad (juni 2002) pleit men voor algemeen toegankelijke kinderspeelcentra waar alle kinderen uit de buurt zich samen spelenderwijs kunnen ontwikkelen. De PvdA komt met een voorstel in het kader van de onderwijsbegroting 2005 voor ‘kinderspeelhuizen’, voor de voorschoolse periode van alle kinderen. Ook pleiten de hoogleraren Janneke Plantenga en Marianne Junger (Inventgroep) voor een gratis basisvoorziening.

Beeldvorming

Ook het pedagogen platform heeft een open discussie gevoerd over samenwerking/integratie van peuterspeelzalen en kindercentra. Wat zijn mogelijkheden en onmogelijkheden van samenwerking?
Bij zowel ouders als professionals bestaat het beeld dat een kindagverblijf vooral zorg en vrij spelen naar eigen initiatief aanbiedt, terwijl in peuterspeelzalen een meer didactische en gestructureerde aanpak gangbaar is. Kinderdagverblijven worden geassocieerd met opvang/oppas voor werkende ouders en daardoor blijft het pedagogische aspect onderbelicht. Peuterspeelzalen zijn er “voor het kind” en dus staat de pedagogische waarde als vanzelf al in de schijnwerpers. Deze verschillen in pedagogische aanpak hebben meer met beeldvorming te maken dan met de praktijk.
Je zou kunnen zeggen dat de beeldvorming te maken heeft met een imagoprobleem dat gedeeltelijk voortkomt uit de manier waarop de sectoren zichzelf in de markt plaatsen. De kinderdagopvang profileert zich vooral op de opvangfunctie als primaire taak terwijl peuterspeelzalen zich richten op ontmoeting, spel en ontwikkelingsstimulering, eventueel aangevuld met plusfuncties.
Dit verschil in imago wordt mooi uitgedrukt door de standaardreacties van ouders als ze hun kind komen halen: van de speelzaal: “Wat heeft hij vandaag geleerd?“ en van het dagverblijf: “Bedankt voor het oppassen!”.

Overeenkomsten en verschillen

“Wij denken dat kinderen in beide werksoorten dezelfde pedagogische vraag stellen” is een reactie uit het werkveld. Beide werksoorten stellen het kind centraal, hangen de visie aan dat er al spelende wordt geleerd en willen een rijke leeromgeving aanbieden. En in feite zijn ook de soort activiteiten die worden aangeboden niet zo vreselijk verschillend. Creatieve activiteiten, buitenspelen, samenspel, motorische activiteiten: ze gebeuren even veel en even goed (of matig) in beide situaties. En speciale VVE programma´s kunnen overal, ook in kinderdagverblijven. Het is echter van groot belang dat medewerkers van beide voorzieningen hun aanbod transparant maken door uit te dragen wat ze doen aan de ontwikkeling van peuters (het proces verwoorden) en ook attent zijn het product in het voetlicht te brengen (de tekening, het spel, het voorlezen etc).

Uitdaging

Vooral peuters van drie jaar die al een lange periode op het kinderdagverblijf achter de rug hebben missen vaak een uitdaging. Ze hebben alle mogelijkheden van ruimte, speelgoed en leidsters wel uitgeprobeerd en zijn toe aan iets nieuws. In de verticale groepsstructuur komen de oudste peuters dikwijls te weinig aan hun trekken. De leidsters zijn druk bezig met de jongsten en hebben weinig tijd voor een nieuwe uitdaging voor de oudere peuter. Ook zijn er regelmatig te weinig leeftijdgenootjes om activiteiten mee te doen.
De sectoren verschillen ook in cultuur. Peuterspeelzaalleidsters hebben over het algemeen kleine contracten, zijn langer in het vak en kennen de lokale situatie goed. Dat maakt hun betrokkenheid groot. Ook accenten die gelegd worden bij de invulling van de taak van de leidsters kunnen verschillen. Kinderdagverblijfleidsters hebben ook veel verzorgende taken. Groepsleiding realiseert zich vaak niet dat ook die zorgmomenten horen bij ontwikkelingsstimulering. Ook bij het eten, aankleden en verschonen ben je bezig met taalontwikkeling, bevordering van het zelfvertrouwen enzovoort.
Daarnaast is het werken met ontwikkelingsprogramma’s nog geen gemeengoed in de kinderopvang. Peuterspeelzaalleidsters beschouwen de begeleiding van de ontwikkeling als hun hoofdtaak. Door de invoering van stimuleringsprogramma’s in de peuterspeelzalen is men meer toegerust en in staat om met programma’s te werken. Dat kan ook, gezien de leeftijd van de kinderen en de relatief korte periode die kinderen doorbrengen op de peuterspeelzaal.

Bevorderen van het samen spelen

Om speelgroep en kinderdagverblijf te laten integreren zijn er een aantal mogelijkheden. Het kinderdagverblijf kan een speciale drieplusgroep samenstellen die alle ochtenden een peuterspeelzaalprogramma uitvoert. Deze drieplusgroep kun je ook openstellen voor andere peuters uit de buurt. Ook kun je peuters van het kinderdagverblijf de gelegenheid geven twee maal per week met de peuterspeelzaalgroep in de buurt mee te laten spelen. Om van elkaars methodieken te leren kun je afspreken om een leidster van het kinderdagverblijf mee te laten werken in de speelzaal.
Het is duidelijk dat het weerstanden zal opleveren bij ouders en leidsters die nu van één van beide centra gebruik maken. Voor hen is de integratie niet nodig, zij hebben immers al gekozen. Ouders zijn gehecht aan het eigen kinderdagverblijf of peuterspeelzaal, hebben wellicht vooroordelen over kinderopvang (parkeren van baby´s) of peuterspeelzaalwerk (onprofessioneel knutselgroepjes). Leidsters voelen de noodzaak niet voor integratie behalve als een faillissement dreigt en er vanuit efficiencyoverwegingen voor een combinatie gekozen wordt. Vanuit bestaande situaties is integratie een zaak van lange adem, met veel inzet en aandacht voor het proces – zelfs al zitten peuterspeelzaal en kinderdagverblijf in één gebouw (bijvoorbeeld in een brede school).
Het is anders voor nieuwe leidsters en ouders. Voor hen is het onderscheid tussen speelzaal en kinderdagverblijf vaak niet duidelijk en ook niet nodig. Ouders willen in hun eigen woonomgeving afnemen wat zij nodig hebben. Je zou vanuit dat oogpunt beter met nieuwe centra kunnen beginnen die beide functies (speelzaalprogramma en opvangfunctie) aanbieden met één team en één pedagogische visie. Voor kinderopvangaanbieders ligt hier een kans om een nieuw product in de markt te zetten.

Voordelen van integratie voor kinderen en voor de kinderopvang?

Volgens de opinie van het Pedagogenplatform is integratie niet nodig vanwege het pedagogische aspect: in beide sectoren kun je ontwikkeling van peuters (en baby´s) centraal stellen en begeleiden. Maar het imago op het gebied van de pedagogische kwaliteit en methodisch handelen kan beter versterkt worden vanuit krachtenbundeling in een sterke voorziening voor jonge kinderen. Samen vangen zij 80 % van alle twee-vierjarigen op en in de toekomst wellicht nog meer. Samen kunnen zij zorgen voor gelijke kansen en een goede startpositie voor alle jonge kinderen. Om deze reden schaart het Pedagogenplatform zich achter het streven naar een brede basisvoorziening voor alle kinderen.