Tekstballon

Hygiëne en veiligheid en leren omgaan met risico's

Auteur: Kok van der Meer, pedagoog bij Kinderopvang DAK in Den Haag en lid van het Landelijk Platform Pedagogen in de kinderopvang. Gepubliceerd in Management Kinderopvang van februari 2006.

De kinderopvang klaagt over overdreven aandacht voor hygiëne en veiligheidsmaatregelen. Dat staat de exploratiedrang van de kinderen in de weg en legt een onevenredig groot beslag op de aandacht van groepsleiding, vindt men. In een eerder nummer van Management Kinderopvang stelt Anja Hol daarom voor om de kont tegen de krib te gooien. Een sympathieke gedachte. Hieronder een reactie.

Te veel aandacht voor hygiëne en veiligheid, vindt de kinderopvang. Maar het NCKO concludeert dat de hygiëne te wensen overlaat. Overigens is een andere conclusie van de onderzoeksgroep, namelijk dat er te weinig activiteitenaanbod is voor kinderen, daardoor nogal op de achtergrond geraakt. Wellicht hangt het een met het ander samen. Allereerst moeten we de conclusie van het NCKO serieus nemen. Dat er aan het aanbod van veel kindercentra nog wel iets te verbeteren valt, klopt. En dat ligt gedeeltelijk aan ons sterke accent op hygiëne en veiligheid. De inrichting is vaak niet al te spannend. Alles moet gemakkelijk schoon te maken en erg veilig zijn. Het effect is: weinig variatie in materiaalkeuze (veel plastic, weinig hout, stof en natuurlijke materialen), weinig experimenten met 'gevaarlijk' spelmateriaal, zoals stelten en klimbomen. En als een kind op een stoel klimt om door het raam te kijken of iets te hard door de ruimte rent, roept de groepsleiding: 'Pas op, niet vallen'. De hygiënecode maakt door ouders meegebrachte gerechten (bijvoorbeeld in het kader van kennismaken met de thuisculturen van de kinderen), trots zijn ("dit eten wij thuis") en gebruikmaken van talenten van ouders (goed kunnen koken) tot een taboe. Natuurlijk moeten we veilig en hygiënisch werken. Niemand wil dat baby's vaker ziek worden in de kinderopvang. Niemand wil dat kinderen onnodig letsel oplopen. Maar laten we wel rationeel blijven.

Neus snuiten

Als je de hygiënecode volgt dan moet je elke keer nadat je je neus hebt gesnoten, grondig je handen wassen. In de beschrijving staat dan ook nog dat je die handen ook tussen je vingers moet wassen en met die vingers naar beneden. Ik ben licht allergisch. Als ik groepsleidster zou zijn dan was ik een groot deel van de dag alleen nog maar bij de kraan te vinden. Bovendien zou ik met geen mogelijkheid al die regels kunnen onthouden. Er zijn te veel regels en de mate van detaillering demotiveert bij de uitvoering. In veel instellingen moeten ouders met operatiekamerslofjes de groepen in. Het effect is dat veel ouders dus niet meer binnenkomen. Die slofjes is te veel werk, te ongemakkelijk. De Amsterdamse GGD raadt het gebruik van slofjes af als je ze niet dagelijks vervangt. Dat is natuurlijk niet te betalen, dus hoeft het daar niet. Het is niet zinvol om verkoudheidsbacteriën te bestrijden, zolang kinderen met hetzelfde speelgoed spelen en dat in hun mond stoppen. En ook andere maatregelen (slofjes) leveren niet het effect op wat we ervan verwachten. Zou het niet veel beter zijn om ons te beperken tot de belangrijkste speerpunten, en die dan ook wel streng na te leven? Bovendien stel ik voor dat er op allerlei hygiënemaatregelen eens onderzoek wordt gedaan naar het effect. Worden kinderen echt minder ziek als de maatregelen worden genomen?

Ongevallen of ongelukjes

En dan de fysieke veiligheid. Welke ongevallen willen we vermijden? Volgens mij gaat het om die ongevallen waarvoor medische hulp moet worden ingeroepen. Niet om een kind dat omvalt met zijn stoeltje (en daar geen letsel van oploopt), of een kind dat buiten over een richel tussen de tegels struikelt met een geschaafde knie tot gevolg, of kinderen die tegen elkaar aan botsen en een buil oplopen. Kortom het gaat om de ongelukken, niet om de ongelukjes! Laten we ook afspreken wat we een aanvaardbaar risico vinden. Geen ongelukken is niet realistisch; zelfs als je alleen maar wesco (grote blokken van zacht en afwasbaar materiaal) hebt en je alles verbiedt, kan er nog iets gebeuren).Wellicht is een aanvaardbaar risiconiveau: in het kindercentrum gebeuren niet meer ongelukken dan in thuissituaties. Een onderzoek waaruit die vergelijking te maken valt heb ik nog niet gezien. Daarvoor moet je namelijk ten eerste het aantal ongevallen in kindercentra afzetten tegen het percentage kinderen dat kindercentra bezoekt, en tegen de hoeveelheid tijd die kinderen in kindercentra doorbrengen. Op ons verzoek aan Consument en Veiligheid om deze informatie te leveren moesten zij het antwoord schuldig blijven. Een andere optie is: kleine ongevallen (geschaafde knie, bult op het hoofd) horen bij het groter groeien en voor ernstige ongevallen geldt dat we streven naar een veiligheidsniveau dat minimaal dat van thuis evenaart. Maar een bepaald risiconiveau moeten we accepteren.

Wat is veilig?

Vervolgens is de vraag: wat is veilig? Opgroeien in een omgeving waar alle risico's zijn uitgebannen, zodat kinderen opgroeien in een onwerkelijke wereld? Of alert zijn op mogelijk onveilige situaties in de opvang en die situaties gebruiken voor bewust opvoeden tot veilig gedrag (en daarbij dan de schaafwonden en de builen accepteren als behorende bij groter groeien)? In dit kader herinner ik mij een onderzoek in de jaren tachtig waaruit bleek dat kinderen van woonerven, als ze eenmaal buiten het woonerf alleen naar school gingen, vaker bij ongelukken betrokken waren. Enige jaren geleden was er bij Kinderopvang DAK een kindercentrum dat 'ervaringsleren' als pedagogisch uitgangspunt hanteerde. Dit centrum weigerde om de radiatoren van ombouw te laten voorzien. 'De kinderen', zei het hoofd, 'voelen wel hitte als ze tegen de radiatoren aan komen, maar ze krijgen er geen letsel van. Zo leren ze wat hitte is en dat het onaangenaam is om hete radiatoren aan te raken.' Onder de Wet kinderopvang lijkt het dat de ondernemers op het gebied van veiligheid en hygiëne meer beleidsvrijheid hebben gekregen. Dat klopt niet helemaal. De MOgroep adviseert haar leden om de hygiënecode onverkort toe te passen. Daarvan afwijken doe je dan niet makkelijk. Als er iets gebeurt, zal bij een eventuele aansprakelijkheidsstelling toch een dergelijk advies als norm worden genomen. De risico-inventarisatie legt in theorie de verantwoordelijkheid bij de groepsleiding. Maar de groepsleiding werkt met andermans kinderen en zal de eerste zijn die wordt aangesproken als er dingen misgaan. Hun relatie met ouders wordt mede bepaald door de veiligheid die zij de kinderen (denken te kunnen) bieden. De vraag is waarop we ons willen profileren, op veiligheid op de korte golf, of op de pedagogiek van het leren omgaan met een (mede door de branche te bepalen) risiconiveau. De hygiënecode bevat zoveel regels dat zij niet meer uitvoerbaar is. De angst voor ongevallen werkt beperkend op de exploratiemogelijkheden van kinderen. Als wij willen dat de groepsleiding op een pedagogische manier met risico's omgaat, moeten zij daarin ondersteund worden. In de vorm van uitspraken door ondernemers en de branche, en wellicht ook in de vorm van voorlichting aan ouders.