Tekstballon

Een programma voor de kinderopvang?

Auteur: Kok van der Meer, pedagoog, werkzaam bij kinderopvang Dak in Den Haag en lid Landelijk Pedagogen Platform Kinderopvang.
Gepubliceerd in het Tijdschrift Management Kinderopvang van april 2005.

In januari 2005 kopt het blad Management Kinderopvang met: “Kinderopvang wil meer invloed op het primaire proces”. En in februari 2005 lezen we: “De tijd dat leidsters zelf kunnen bepalen hoe zij hun dag vullen, is voorbij”. Of had daar moeten staan: “De tijd dat leidsters alles zelf moeten bedenken en ontwikkelen, is voorbij”? Elly Singer sloot haar inleiding op het pedagogencongres in oktober 2004 af met de conclusie: “We ontkomen er niet meer aan dat er een curriculum moet komen voor de kinderopvang”.

Betekent de ontwikkeling van een programma dat groepsleiding geen vrijheid en eigen initiatieven meer wordt gegund? Of betekent het tegemoet komen aan een behoefte bij groepsleiding aan een leidraad, een programma, concrete beschrijvingen van pedagogisch handelen? Opvallend is dat bij het invoeren van stimuleringsprogramma’s (Caleidoscoop, Piramide) groepsleiding de instructies en de programma’s dikwijls als een verrijking ervaart.

En laten we wel wezen, de groepen waar vooral met duplo wordt gespeeld, elke ochtend weer diezelfde puzzels op tafel liggen en waar de kinderen een kleurplaat krijgen als de groepsleiding ze even rustig wil krijgen… Die zijn toch niemands ideaal?

Een van de pedagogen van het platform mailde mij tijdens het schrijven van dit artikel: “Het dilemma wordt de spagaat tussen voorschrijven of groepsleiding ruimte geven om hun eigen initiatieven te volgen.” Dat is er een. De andere spagaat is die tussen de verwachting dat groepsleiding werkt aan pedagogische doelen en aan competenties en dat we ze vervolgens zelf laten uitzoeken hoe ze dat zullen aanpakken.

Eigenlijk staat er al veel vast zonder dat we vinden dat we het krijgen opgelegd, werkt kinderopvang al lang volgens een bepaald stramien. Bijvoorbeeld:

Het denken in de factoren groep, groepsleiding, omgeving en organisatie; het werken volgens een min of meer vaste dagindeling met vrij spel, dagelijkse (verzorgings)activiteiten en een activiteitenaanbod. Hoeveel groepen beginnen de dag niet met een puzzel aan tafel, of met vrijspelen in een van de groepsruimten, totdat de meeste kinderen er zijn. En vervolgen dan de dag met een cracker en wat drinken, voorafgegaan door een liedje “smaaklijk …”. Daarna gaat een van de leidsters een activiteit doen met een groepje kinderen…

Ook over inrichting zijn we het in grote lijnen eens. Er moeten hoeken zijn, en wel een poppenhoek en een bouwhoek, soms een huishoek, een creatieve hoek of atelier, snoezelhoek, boekenhoek.

Volgens de beleidsregels werken we aan emotionele veiligheid, competenties, normen & waarden. Aan die emotionele veiligheid werken wij bijvoorbeeld door op een bepaalde manier vorm te geven aan het wennen / kennismaken; elke dag komt het kind een beetje langer, en door van groepsleiding sensitieve responsiviteit te verwachten.

Ook voor wat betreft de inhoud van die competenties zijn we niet blanco. Het is in Nederland weinig bekend, maar het Netwerk voor Kinderopvang van de Europese Commissie heeft in 1995 kwaliteitsdoelstellingen voor kinderopvang geformuleerd, die zeggen dat de “educatieve en opvoedingsfilosofie” onder meer het volgende moet omvatten en bevorderen:

  • de autonomie en het zelfbeeld van het kind
  • prettige sociale relaties tussen kinderen en tussen kinderen en volwassenen
  • enthousiasme voor het leren
  • linguïstische en verbale vaardigheden met inbegrip van linguïstische diversiteit
  • begrip van rekenkunde, biologie, wetenschap, techniek en omgeving
  • muzikale expressie en esthetische vaardigheden
  • toneel poppenspel en mime
  • spiercoördinatie en lichaamsbeheersing
  • gezonde en hygiënische voeding
  • bewustzijn van de lokale gemeenschap”

Natuurlijk moet dit een vertaling vinden naar het niveau van jonge kinderen. Maar daarvan uitgaande: wie is ertegen dat kinderen in deze gebieden worden ingewijd? Ligt het dan voor de hand om groepsleiding ook handreikingen te bieden voor de manier waarop?

Een van de pedagogen uit onze achterban, meldde: “Wij zijn bezig met het beschrijven van een model dat bouwstenen levert voor het zelf samenstellen van je basisprogramma. Daarin wordt een aantal keuzes aangeboden. We willen dit uitbreiden met het schrijven van modules ofwel bouwstenen waarin themagewijs verschillende keuzes worden uitgewerkt: bijvoorbeeld ‘dagindeling’ met daarin een aantal voorbeelden van dagindelingen, en ‘activiteiten’, met daarin inspirerende voorbeelden van activiteiten, met ‘hoeken’ waarin alle ons bekende vormen van hoeken worden beschreven en wat kinderen daarin leren. Zo kan een basisprogramma worden geformuleerd.”

Is dit de manier om te komen tot een programma? Het ontwikkelen van een kader wat door instellingen of groepsleiding kan worden ingevuld, met gebruikmaking van een database van invulmogelijkheden?

We willen natuurlijk geen schooltjes worden, maar de specifieke pedagogische gerichtheid van de kinderopvang behouden. Zou dan bij het opstellen van een programma ook het pedagogische proces de nodige aandacht moeten krijgen? John Bennett noemt in dit verband: experimenterend leren, een speelgerichte programmering, interactie en betrokkenheid van volwassenen, centrum- en groepsmanagement, rijke leeromgeving en thematische of projectmethodologie. Volgens diezelfde Bennett impliceert een goed programma dat kinderen initiatieven nemen en betrokken zijn/worden. Dat past uitstekend bij de Nederlandse opvatting dat kinderen competente wezens zijn die met hun behoeften, ontwikkelingsniveau en belangstelling uitgangspunt vormen voor het handelen van groepsleiding.

En rekening houdend met die specifiek Nederlandse situatie zou in een programma ook aandacht moeten zijn voor (werkwijzen bij) ouderbetrokkenheid.

Misschien willen we zelfs ook denken in termen van opvoedingsdoelen en kunnen we daarmee dan eindelijk de wat al te dichtbije doelen van ‘welbevinden’ weer eens overstijgen. Bijvoorbeeld het opvoeden tot solidaire en autonome, verantwoordelijke burgers, die in staat zijn een positieve bijdrage te leveren aan onze diverse en democratische samenleving. Komt een dergelijke formulering tegemoet aan wat de MOgroep in haar visiedocument bedoelt met de term duurzame kinderopvang?

Als bovenstaande nou pleit voor programmaontwikkeling dan is de volgende vraag of je dat gezamenlijk moet doen en dus wilt komen tot een landelijk curriculum? Liesbeth Schreuder beweert in Management Kinderopvang van maart dat collectief beter gaat dan ieder voor zich. Is dat zo? Wellicht vergroot landelijke ontwikkeling de mogelijkheden om gebruik te maken van elkaar, maar bijvoorbeeld ook van wat wetenschappers te bieden hebben (Elly Singer en Marianne Riksen-Walraven hebben al het nodige aan materialen aangedragen op het gebied van pedagogiek en programma.) Of zorgt ‘ieder voor zich’ voor diversiteit van programma’s en werkt concurrentie in dit opzicht kwaliteitsverhogend?

In een praatstuk over een nationaal curriculum verwoordt Elly Singer het zo: “Het zou geen bureaucratisch curriculum moeten worden, maar moeten uitdagen tot creativiteit, verdere ontwikkelingen en diversiteit op lokaal niveau. Het zou moeten voortbouwen op wat al in ons land en in het buitenland is ontwikkeld, het zou verbindingen moeten maken met bestaande trainingen en methodieken, het zou handelingsgericht moeten zijn, algemene kaders moeten geven voor het vertalen van algemeen geaccepteerde pedagogische uitgangspunten en doelen naar het dagelijkse handelen.”

Zou zo’n curriculum bijdragen tot verhoging van de kwaliteit van wat we kinderen in kindercentra bieden? Zou het het imago van de kinderopvang verbeteren? Zou het ook voor opleidingen duidelijker maken wat het werkveld van ze verwacht?

Willen we in dit land een landelijk curriculum? Wij zijn er nog niet uit. Maar laten we tenminste de discussie erover voeren.

Voor dit artikel heb ik gebruik gemaakt van bijdragen van pedagogen van de achterban van het platform, van bijdragen op de website pedagogischdebat.nl, van bijdragen van leden van het platform en van Elly Singer, en van het artikel van John Bennett in Unesco Policy Briefs on Early Childhood sept. 2004.