Tekstballon

De overheid en de pedagogische basiskwaliteit

Auteur: Sylvia Deneer, pedagoog bij Stichting Kinderopvang Humanitas en lid van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang.
Gepubliceerd in Management Kinderopvan van april 2004
.

Het Landelijk Pedagogenplatform is bezorgd over de terugtrekkende houding van de overheid als het gaat om de verantwoordelijkheid voor de pedagogische kwaliteit van de kinderopvang. Het platform roept de overheid op haar verantwoordelijkheid te nemen en een ondersteuningsstructuur voor pedagogiek in de kinderopvang te faciliteren.

De (pedagogische) kwaliteit van de kinderopvang blijft de gemoederen bezighouden. Welke invloed de economie en tijdgeest op dit onderwerp heeft is in de afgelopen tijd duidelijk geworden. Na een flink aantal jaren van 'de echte meid die op haar toekomst is voorbereid' en 'kinderopvang als basisvoorziening', zijn we inmiddels terechtgekomen in een fase waarin kinderopvang vooral gezien wordt als een verantwoordelijkheid van ouders, werkgevers en kinderopvangondernemers. Zelfregulering, eigen verantwoordelijkheid; wie kent die begrippen niet? Wat dit in de praktijk voor kinderen betekent, wordt overgelaten aan 'de spelers in het veld'.

Als landelijk pedagogenplatform maken wij ons zorgen over de ontwikkeling van de pedagogische basiskwaliteit in de kinderopvang. Door middel van een brief aan alle kamerleden en een advies over de mogelijke opzet van een pedagogische ondersteuningsstructuur hebben wij uiting gegeven aan deze bezorgdheid.

Pedagogische vernieuwing

In de jaren negentig is niet alleen hard gewerkt aan de kwantiteit in de kinderopvang maar ook aan de (pedagogische) kwaliteit. 'Pedagogische vernieuwing' was in die tijd hét thema. Er was een grootschalig landelijke project, op de werkvloer werd van alles uitgeprobeerd en onderzocht en Marianne Riksen-Walraven werd benoemd als eerste Hoogleraar Kinderopvang. Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat het 'zachte' criterium pedagogische kwaliteit steeds meer vertaald is naar concreet pedagogisch handelen en de daarvoor benodigde voorwaarden. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik en de inrichting van de ruimte, de keuze van (spel)materiaal, het kijken naar kinderen als basis voor activiteiten, de vorm en inhoud van overleg met ouders. Deze inzichten en ideeën zijn onder andere door het NIZW voor de sector verwerkt tot werkmethoden, boeken en videomateriaal. Pedagogische kwaliteit zal waarschijnlijk altijd een minder 'hard' criterium blijven dan veiligheid en hygiëne, maar is inmiddels in veel organisaties zichtbaar én zelfs meetbaar 'op de kaart gezet'. Alleen al gezien de tijd, moeite en het geld die de sector hierin investeerde, zou het bedroevend zijn als de verdere ontwikkeling van deze expertise in het gedrang komt. Maar het belangrijkste argument is misschien wel dat verbetering van de pedagogische kwaliteit direct invloed heeft op het welzijn en welbevinden van heel veel jonge kinderen.

Tegenstellingen

Marianne Riksen-Walraven formuleerde vier basiselementen van pedagogische kwaliteit in de kinderopvang: veiligheid, persoonlijke competentie, sociale competentie en normen & waarden. Over de manier waarop deze basiselementen vertaald moeten worden naar de praktijk, leven verschillende ideeën. Daardoor zijn er op een aantal gebieden tegenstellingen ontstaan.

Veiligheid versus uitdaging

De regelgeving lijkt nu vooral gericht op het voorkomen van elke val en elke buil waardoor kinderen niet de kans krijgen om met risico's om te leren gaan. De roep om een fundamentele discussie over toelaatbare risico's voor kinderen om basisvaardigheden te kunnen ontwikkelen, wordt steeds luider.

Pedagogische praktijk versus opleiding

De ontwikkelingen op het gebied van de pedagogiek worden niet altijd teruggezien in de inhoud van de opleidingen. Door initiatieven van kinderopvangorganisaties die overleggen en afspraken maken met ROC's, zijn er verschillen ontstaan in het niveau van de pedagogische kennis en vaardigheden van de leerlingen die van de opleidingen afkomen.

Ouders versus groepsleidsters

Bezorgde ouders staan tegenover groepsleidsters die de kinderen veel ruimte en mogelijkheden willen bieden. Ouders die graag willen dat er van alles ondernomen wordt in het kindercentrum, staan tegenover bezorgde groepsleidsters die bang zijn dat ze klachten van ouders krijgen over vieze jassen en geschaafde knieën.

Deze verschillende meningen hebben tot gevolg gehad dat groepen tegenover elkaar komen te staan. De GGD vindt dat het kindercentrum niet veilig genoeg is, het kindercentrum op haar beurt vindt dat de GGD de kinderen kansen ontneemt om belangrijke vaardigheden te leren. De ouders vinden dat er te weinig gebeurt op het kinderdagverblijf, de groepsleidsters gaan ervan uit dat ouders alleen maar willen dat hun kind schoon en zonder builen en geschaafde knieën weer thuis komt. De wetenschap zegt dat de pedagogische kwaliteit nog niet wetenschappelijk te toetsen is, de kinderopvang vindt dat de wetenschap te weinig gebruikmaakt van ontwikkelde instrumenten. De partijen lijken tegenover elkaar te staan en het gevaar is dat 'gelijk krijgen' belangrijker wordt dan het creëren van een gemeenschappelijke basis over de inhoud van kinderopvangkwaliteit. Hierdoor wordt niet optimaal gebruikgemaakt van de verschillende soorten expertise die deze 'partijen' hebben op het gebied van de pedagogische kwaliteit. Als pedagogenplatform vinden wij de pedagogische basiskwaliteit (voor álle kinderen in álle kindercentra) belangrijk. Daarom hebben wij een brief geschreven aan de Tweede Kamer over onze zorgen over de Wbk en hebben wij in januari een advies aan het ministerie van SZW uitgebracht over een landelijke pedagogische ondersteuningsstructuur in de kinderopvang.

Ondersteuningsstructuur

In de visie van het Landelijk Pedagogenplatform heeft het veld behoefte aan een ondersteuningsstructuur die het mogelijk maakt dat groepsleidsters, pedagogen, opleiders, wetenschappers en beleidsmakers hun gedachten, ideeën, kennis en ervaring kunnen uitwisselen en delen. Binnen deze ondersteuningsstructuur onderscheiden wij verschillende functies:

  • Informatiefunctie: een verzamelpunt van expertise beheren waar iedere geïnteresseerde vragen kan stellen, bestellingen kan doen of zich kan laten doorverwijzen.
  • Onderzoeksfunctie: in samenwerking met de universiteiten en het werkveld onderzoek entameren naar effecten van nieuwe producten en ontwikkelingen.
  • Coördinatiefunctie: initiëren en coördineren van werkontwikkeling.
  • Begeleidingsfunctie: de implementatie van nieuwe werkwijzen organiseren en begeleiden door middel van bijvoorbeeld congressen en cursussen voor groepsleiding, begeleiders en opleidingen.
  • Opleidingsfunctie: opleidingen op alle niveau's stimuleren door continuïteit in inzichten in het werkveld en de opleidingen te bevorderen en waar nodig nieuwe pedagogische inhoud voor opleidingen te ontwikkelen.

Wij stellen voor om de opzet en een tijdpad voor een dergelijke ondersteuningsstructuur te laten uitwerken door een expertgroep die informeert en inventariseert bij alle actoren in de kinderopvang (wij zouden deze expertgroep graag de Commissie Kwaliteit Kinderopvang II willen noemen). Deze commissie zou een blauwdruk moeten ontwikkelen die ze voorlegt aan de overheid en de branche. Wat ons betreft zou het uiteindelijke doel van deze ondersteuningsstructuur moeten zijn dat de pedagogische kwaliteit op de werkvloer zich blijvend ontwikkelt, vernieuwt en verdiept. Deze infrastructuur zou op termijn kunnen gaan functioneren in samenhang met het hele jeugdbeleid, zodat ook optimaal expertise kan worden uitgewisseld met belendende sectoren (jeugdbeleid & jeugdzorg, onderwijs, Brede School, VVE).

Verdwenen

De vier basiselementen van Marianne Riksen-Walraven zijn in de Wbk benoemd maar er inmiddels ook weer uit verdwenen. Wij zijn bezorgd over het inhoudelijke niveau van de pedagogische kwaliteitseisen in de Wbk. Nu de overheid zich steeds meer terugtrekt uit de organisatie en uitvoering van de kinderopvang, zou zij meer verantwoordelijkheid kunnen nemen voor de inhoud van de basiskwaliteit in de kinderopvang. Deze verantwoordelijkheid kan de overheid nemen door een ondersteuningsstructuur zoals hierboven beschreven te faciliteren.