De discussie gaat verder
Auteur: Loes Kleerekoper, pedagogisch stafmedewerker bij de Stichting Kinderopvang Noord-Holland, lid van het Landelijk platform pedagogen in de kinderopvang.
Gepubliceerd in het Tijdschrift Management Kinderopvang van september 2005.
In Management Kinderopvang van april 2005 schrijft Kok van der Meer over nut en noodzaak van een curriculum voor de kinderopvang. Haar eerste conclusie: er zijn in de kinderopvang al veel gemeenschappelijke uitgangspunten maar die gezamenlijkheid is nog niet onder een noemer geformuleerd. Haar tweede conclusie is dat er al veel inhoudelijk materiaal is ontwikkeld. Hierbij gaat het om onderzoeksresultaten, uitwerkingen van pedagogische keuzes, trainingsprogramma’s, methodieken, materialen en programma’s. Haar artikel mondt uit in de vraag: Willen we deze elementen samenvoegen in een nationaal curriculum, waarbij een vertaling wordt gemaakt vanuit algemeen geaccepteerde pedagogische uitgangspunten naar dagelijks handelen?
Een gemeenschappelijk kader
Het begrip curriculum kan verwarring wekken. In vakliteratuur en in het dagelijks spraakgebruik wordt curriculum vaak gebruikt als equivalent van de eisen en de leerstof die behoren bij een of meer vakgebieden of een gehele studie. Als we binnen het pedagogenplatform spreken over het curriculum, hebben we een breder beeld voor ogen dan uitsluitend aandacht voor leerdoelen en leerstof, centraal staat voor ons het pedagogisch perspectief. Om strategische redenen is besloten om de term toch te hanteren omdat dit aansluit bij de internationale terminologie. Met curriculum bedoelen wij: een compleet bouwwerk met algemene pedagogische uitgangspunten voor de kinderopvang, die trapsgewijs vertaald worden naar concreet pedagogisch handelen.
Het pedagogenplatform wil een start maken met het opbouwen van dit curriculum, uitgaande van de inhoud. We willen samen met onze achterban, pedagogen in de kinderopvang, onderzoeken of we in de kinderopvang daadwerkelijk te maken hebben met een gemeenschappelijke pedagogische visie.
Dan hebben we het over: waar streven we naar als kinderopvang, waar voeden we toe op, wat willen we onze kinderen meegeven?
Kunnen we ook een gemeenschappelijk begrippenkader vinden om die visie te beschrijven?
Hoe kunnen we daarbij gebruik maken van de pedagogische basisdoelen zoals geformuleerd door Marianne Riksen-Walraven en overgenomen in het toetsingskader behorend bij de wet Kinderopvang?
Hoe ver loopt de gemeenschappelijkheid door en waar begint de eigen invulling van de pedagogische visie door de verschillende kinderopvangorganisaties?
Een curriculum kan de kinderopvang duidelijker positioneren en het eigen imago versterken. Het geeft handvatten voor groepsleidsters, werkbegeleiders, pedagogen en directies om met elkaar de pedagogische waarde van de kinderopvang te bespreken en te verdiepen. Ook ten behoeve van opleiding en bijscholing geeft een heldere visie houvast.
Inspiratie uit het buitenland
Bij het nadenken over de mogelijkheden van een gemeenschappelijk pedagogisch kader laten we ons inspireren door de ontwikkeling in Nederland en door voorbeelden uit het buitenland.
Het netwerk voor kinderopvang van de Europese Commissie heeft zich al in 1995 uitgesproken over een educatieve en opvoeidngsfilosofie. De OECD (Organisation for Economic Cooperation and Development), een samenwerkingsverband van ca. 30 landen, houdt zich actief bezig met de kwaliteit en de toegankelijkheid van “Early childhood education and care”. Dit resulteert onder meer in overzichtspublicaties uit de deelnemende landen en in internationale uitwisselingsbijeenkomsten. Er zijn grote verschillen tussen de landen, onder meer in de structuur van kinderopvang en onderwijs voor jonge kinderen, de leeftijd van de kinderen, de opleiding van de beroepskrachten, maar er zijn ook overeenkomsten.
Finland
Een inspirerend curriculum is afkomstig uit Finland. Overigens speelt ook daar de verwarring rond het woord “curriculum” en heeft men ter voorkoming van spraakverwarring in de Engelse tekst gekozen voor het woord curriculum.
Het Finse curriculum is gebaseerd op internationale conventies over de rechten van kinderen, nationale wetgeving en andere richtlijnen.
Vanuit het centrale recht op menselijke waardigheid voor kinderen, zijn de volgende principes vastgesteld: non-discriminatie, uitgaan van de belangen van het kind, het recht van het kind op volledige ontwikkeling, rekening houden met de opvattingen van het kind. Kinderen hebben daarom recht op een warme persoonlijke relatie, de ruimte om te groeien, zich te ontwikkelen en te leren, ze hebben recht op een veilige en gezonde omgeving die ze in staat stelt om te spelen en bezig te zijn, ze hebben recht op begrip en gehoor voor wat ze te zeggen hebben, ze hebben recht op speciale ondersteuning als ze die nodig hebben, en ze hebben recht op hun eigen cultuur, taal, religie en overtuigingen.
De taak van opvoeders is om de volgende drie opvoedingsdoelstellingen op alle manieren na te streven: de bevordering van persoonlijk welbevinden, de versterking van gedrag en handelen waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van anderen, het geleidelijk opbouwen van autonomie.
Deze basiselementen worden uitgewerkt zonder dat de invulling tot in detail wordt aangegeven. Als voorbeeld een gedeelte van de beschrijving van de rol van de groepsleidster bij het onderdeel “Spel”:
De voldoening die het kind bij het spel ervaart, hangt vaak af van de activiteiten van de leidster. Het ondersteunen van het spel van kinderen vereist zorgvuldige observatie en de vaardigheid om spelsituaties te analyseren. Sensitieve, toegewijde leidsters herkennen de verbale en non-verbale initiatieven van de kinderen en reageren daar op. Leidsters geven de kinderen de vrijheid als ze actief aan het spelen zijn, maar om succesvol te zijn, heeft het spel van de kinderen vaak directe of indirecte ondersteuning nodig.Afhankelijk van de leeftijd en de spelvaardigheden van de kinderen, het type spel en andere situationele factoren, varieert de rol van de leidster van meedoen tot observatie van buitenaf. Indirecte begeleiding heeft tot doel het spel te verrijken met bijvoorbeeld ideeën of hulpmiddelen.
Verder denken en praten
Naast het Finse curriculum zijn er andere die de moeite waard zijn. Een interessant curriculum is “Te Whakiri” uit Nieuw Zeeland. Hierin worden vier principes uitgewerkt in doelstellingen en operationele doelstellingen. De uitwerking gaat verder dan in het Finse stuk en bevat veel concrete voorbeelden en suggesties. Ook het curriculum van de stad Berlijn biedt interessante stof tot nadenken over de mogelijke toepasbaarheid voor de Nederlandse situatie.
Op het congres van het pedagogenplatform op 5 oktober 2005 hopen we met veel pedagogen verder te kunnen praten over de mogelijkheden van een curriculum voor de Nederlandse kinderopvang. Prof. Janneke Plantenga en prof. Marianne Riksen-Walraven zullen elk een inleiding verzorgen, daarna zal onder meer aan de hand van een aantal buitenlandse curricula verder worden gediscussieerd.